A man is happiest when there is a balance between his needs and his possessions - Trevanian

contact: bontebal@bart.nl

19 november 2009

Kom je zondagmiddag naar het Paardcafé?

Even door op het idee van gisteren. Ik zal mezelf herhalen. Januari ga ik beginnen, eens per maand een schrijver of muzikant in mijn huis. Of als het mooi weer is, in de hof. Niet alleen Karin geeft me het idee, ook een bezoek van Willem Jacobs. Willem, muzikant te Woerden, kwam langs en had zijn gitaar bij zich. Willem heeft altijd zijn gitaar bij zich. Het was mooi weer. Hij heeft hier voor de deur in de hof zitten spelen, buren stroomden toe. Later zag ik hem in een tv-programma, hoe hij buiten speelde in zijn eigen straat. Goud!

Vanaf januari ga ik het doen. Dan nodig ik één keer per maand een schrijver of muzikant uit om iets in mijn huiskamer te doen. Als het mooi weer is gaan we buiten zitten. Als ik schrijver of muzikant schrijf, is dat gemakzucht: ik bedoel beiderlei kunne. Ken je dat nog uit de oude actiebladen: schrijverster? Wat vind ik dat lelijk.

O, ja, en, ook. Ik ga ook schrijvers en muzikanten uitnodigen met een niet-Nederlandse achtergrond. Ik woon tenslotte in de Schilderswijk. Als je dat niet ziet zitten, blijf dan alsjeblieft weg. Dan wordt uw aanwezigheid niet op prijs gesteld. Er zal geen geld in om gaan. Toegang gratis, maar ook de voordragende zal ik vragen het Umsonst te doen: je moet het leuk vinden. Als er iemand van buiten de stad komt, gaat de pet rond: om de reiskosten te dekken. Dus: ergens in januari is de eerste keer, je leest het tevoren op mijn weblog.

En. Ken je dat ook. De mensen die steeds roepen: overkomt mij dat weer? Er is een aardige Engelse term voor: accident prone. Mensen die wat wrakkig in het leven staan en door hun houding steeds weer vervelende dingen meemaken. Toch. Zal ik zelf eens? We hebben hier in de hof per huisje een plastic vuilcontainer. Groen, iets meer dan een meter hoog. Vroeger stonden er vaste containers bij de ingang van de hof. Daar gooide je dan je vuilniszakken in. Eens per week werden ze geleegd. Stel je voor, zomers, de stank die de mensen te verduren kregen die bij de ingang wonen.

Heb ik dat weer? Dinsdagochtends worden onze bakken geleegd. Begin van de dinsdagmiddag ging ik mijn bak terughalen. Geen bak. Heb ik dat weer? De hele hof, de hele straat doorgegaan om te zien of iemand per ongeluk mijn bak had meegenomen. Niente. Toen fietste ik de hof weer in en zag een gesmolten bak. Daarnaast nog restanten van de Krant en de Gids. Verrek, dat is mijn bak, dacht ik. Eén dezer dagen krijg ik een nieuwe.

Ja, denk er nog maar eens over na of je naar de Schilderswijk komt.

De muur? Zal ik het nog even over de muur hebben? De muur tussen het hofje en de huizen aan de straat, die een projectontwikkelaar zo maar denkt te slopen. De hof. Die is van 1890. In 1987 is de handel gerenoveerd en direct daarna ben ik hier komen wonen. Mijn overgrootvader, ik heb hem niet gekend, heeft hier nog bij een dochter ingewoond. Ik ben terug bij mijn roots. Maar die muur is dus ook van 1890! Cultureel erfgoed. Ik denk niet dat meneer de ontwikkelaar hiermee wegkomt.

En verder? Mijn email adres staat bovenaan de log. Heb je de wens ergens volgend jaar in de hof te komen voordragen of musiceren? Meld je aan. Ik schenk koffie, breng wijn mee, ik heb een kurkentrekker.

Ach, en Arend-Jan. Hij is per direct uit de Kamer gestapt, omdat hij uit de school heeft geklapt over een gesprek dat hij met De Majesteit heeft gehad. Zo noemen ze dat: De Majesteit. Alsof we nog steeds in het Land van Ooit leven. Als je Het Koningshuis serieus neemt, neem je de democratie niet serieus.

18 november 2009

Nou, dat ik ook eens serieus ben

Een mevrouw mailde mij. Ze woont in een uithoek van De Haag, voor Hagenezen: ruim voorbij de Leiweg, of is het Lijweg? Het was een uitnodiging. De mevrouw organiseert huiskamer concerten. Waar ze me voor uitnodigde, begin december, is Roy Gullana van de Tannahill Weavers. Luistert. Ik ben zeer van het zwaar metaal, A whole lot of Rosie moet straks op één staan in de top 2000, maar ik ben ook zeer van de folk. Ik heb gitaar leren spelen door de Dubliners na te doen.

Natuurlijk, en uiteraard, en zeker, wat dacht je wat, ben ik begin december daar in die uithoek. Maar ik heb die mevrouw gevraagd of ik haar idee mag jatten. Dat ik, na haar, hetzelfde in de Schilderswijk ga doen. Kom naar mijn huis, dan krijg je koffie, en als je bier wil hebben ga ik wel even naar de buurtsuper. Jenever lukt niet in de buurt, wodka ook niet.

Maar, Karin heet ze, ik wil graag het idee pikken. En uitbreiden over de hele stad. Dat je op de ene zondag daar bij Karin in de uithoek een goede muzikant hoort, dat je een week later bij mij in de hof een schrijver hoort, en daarna, nog een week later, in Scheveningen een Scheveninger muziek hoort maken. Karin, bedankt, je hebt een goud idee aangedragen. Als ik iemand van buiten de stad uitnodig, moet je even bij dokken aan reiskosten.

Geef me een paar maanden, even op een rijtje zetten, dan gaat het echt van start. Mocht je schrijver zijn of muzikant: zeg me hoe je je koffie wilt. Binnenkort ga ik mensen uitnodigen, ik laat het je weten.

Hofje?

De Haag heet hofstad, maar De Haag is hofjesstad. Het zijn er veel, rond de honderd. Als je wilt zal ik je binnenkort een lijst geven. Op de meest rare plekken blijkt er ineens een hofje achter de huizen te liggen. Dat moeten we koesteren.

De muren zijn hier van bordkarton

De muren zijn hier van bordkarton. Als mijn buurman door zijn kamer loopt, hoor ik of hij schoenen aan heeft. Sinds een paar maanden heb ik een nieuwe buurvrouw. We hebben kennis gemaakt en ik heb haar meteen gezegd: als ik last van je heb, kom ik het zeggen. Als jij last van mij heb, moet je het meteen tegen mij zeggen. Volg mij na, zo kan je samenleven in een stad. De buurvrouw heeft een kind, een baby nog. Laatst was een vriend langs en de baby van de buurvrouw lag te krijsen. Daar ben je mooi klaar mee, zei hij. En ik? Het stoort me niet. De moeder heeft er waarschijnlijk meer last van dan ik. Stel je toch eens voor, dat een moeder zich over haar krijsende kind buigt met de woorden: hou je mond, anders heeft de buurman last. Zo werken de dingen niet. Maak deals met je buren, dan kan je prettig samenwonen. Het is zo simpel.

17 november 2009

Sayounara

Als groet aan mijn lezer Ralf.

Kop op de voorpagina van de Krant vandaag: De hele vastgoedsector lijkt besmet. Lijkt? Het vastgoed is de sector van het snelle geld, in korte tijd veel geld verdienen. De Quote 500 is vergeven van dat soort figuren. Ze lijken onaantastbaar en dat heb ik ook bij mijn buren gemerkt: je kan er toch niets tegen doen. Er valt wel iets tegen te doen en mijn buren vinden het wel makkelijk dat ik de kar trek. Met genoegen.

Hoe de zaken er momenteel voorstaan, weet ik niet. De ambtelijke molens draaien traag. Eén winstpuntje. De laatste doorgang door de schutting zou ter hoogte van mijn planten moeten komen. Daar is nog steeds geen poging toe gedaan. Meneer de projectontwikkelaar voelt blijkbaar aan zijn water dat hij fout zit. Eén oplossing: de hele muur moet weer worden gesloten, met uitzondering van een branduitgang. Mijn suggestie om vrienden en bekenden bij elkaar te roepen om een houten schutting te maken wil ik bijstellen. Als meneer de projectontwikkelaar het niet doet, doen we het zelf: dicht metselen. De specie heb ik al, verzamel stenen.

En dan een persbericht:  24 schrijvers laten zich inspireren door de straat.

Een bont gezelschap van schrijvers en muzikanten treedt zondagmiddag 22 november op in het Haagse Paardcafé tijdens de presentatie van de nieuwe verhalenbundel Verhalen van de straat. Het eerste exemplaar van de bundel - waaraan maar liefst 24 schrijvers meewerkten - wordt vanaf 14.00 uur uitgereikt aan de hoofdredacteur van het Haags Straatnieuws Elke Swart. Daarna barst het feest los met muziek van Alexander Franken, Maarten Willems, Annick Huijbrechts & Michiel Mulder en Ragmob. De schrijvers Adriaan Bontebal, Harry Zevenbergen, Heleen van der Kemp, Tara van de Wilgen, Ton Zijp, Trudy Selier, Jeroen de Vos en initiatiefnemer Theo van Rijn dragen voor uit eigen werk. Presentatie is in handen van Karel Kanits en Debby van den Bergh. Entree is gratis.

De bundels á €10 zijn deze middag te koop in het Paardcafé, daarna o.a. via verhalenvertellers@live.nl en boekhandel Paagman in de Frederik Henderiklaan te Den Haag. De eventuele opbrengst komt ten goede aan Stichting KIKA en het Haags Straatnieuws.

Toen Leidschendammer (het oude dorp) Theo van Rijn in december debuteerde met een verhaal in de Haagse kerstbundel Mooie kerst achter de duinen, kreeg het schrijven hem definitief in zijn greep. Via internet deed hij een oproep aan schrijvers om een verhaal over de straat in te sturen. Resultaat: tientallen verhalen van schrijvers uit Nederland, maar ook van Nederlandse schrijvers woonachtig in andere delen van de wereld. Een onafhankelijke jury koos de beste verhalen uit, die nu de bundel Verhalen van de straat vormen.

De schrijvers zijn: Adriaan Bontebal, Qliekje, Annick Huijbrechts, Aukje, Carla Mulders, Conny Martina-Capriles, Debby van den Bergh, Betty Mans, Harry Zevenbergen, Heleen van der Kemp, Jolka de Jong, Karin van Helden, Andrea Prent, Nils Schrijvers, Hansje Hardenberg, Roelande van Wageningen, Tara van de Wilgen, Ton Zijp, Trudy Selier, Victor de Keijzer, Theo van Rijn, Karel Kanits, Jeroen de Vos en Diann van Faassen.

Presentatie verhalenbundel Verhalen van de straat, met schrijvers, muzikanten en uitreiking eerste exemplaar aan de hoofdredacteur van Haags Straatnieuws. Zondag 22 november, 14.00 uur, Paardcafé - Prinsegracht 12  - Den Haag  - entree gratis. Eenvoudig te bereiken vanaf het Centraal Station. Tram 2 of 6 en uitstappen Grote Markt. Eën zone.

Dat ik als eerste word genoemd in de reeks schrijvers, heeft louter met het alfabet te maken. Meer info, wil je nou nog meer info, klik dan hier. Ik zie je zondag. Overigens. Ik heb een rij op de plank van bundels waarin een verhaal of gedicht van me staat. Een stuk of vijfentwintig. De bundel die zondag wordt gepresenteerd ziet er met afstand het mooiste uit.

PS Mijn tuinvrouw heeft een heel aardige moeder, ik heb haar ontmoet. Het is een nette dame van 85. Net? Er is een poedeltje in de familie. De oude dame zei: weet je hoe we dat vroeger noemden? Een kuttenlikkertje. Foei! Maar zie het voor je, probeer dat poedeltje bezig te zien, dan is je libido weer voor een paar maanden naar de vaantjes.

Dexter? Vanavond de op één na laatste aflevering. Zie maar.

16 november 2009

Qua onbetamelijkheid

Zal ik iets over mijn jeugd vertellen. Welja, het is mijn weblog en ik zet erop wat ik wel. Naar analogie met de muurtjesbouwer. Mijn hele lagere schooltijd, de oudere lezer moet maar aan de jongere vertellen wat de lagere school was, ben ik getreiterd door één jongen. Van de eerste tot en met de laatste klas stond hij me steeds op te wachten. En dan kreeg ik klappen. Het lulletje dat ik nu ben, was ik toen ook al. Ik scheet in mijn broek, ik zeek in mijn bed. Geen van mijn klasgenootjes heeft me ooit geholpen: hij was de bink, daar ging je niet tegen in, daar wilde je vriendjes mee worden. Mijn titel van de vorige log: een bully wordt dat in de Engelstalige wereld genoemd. Als ik ze zie, al is het in een komisch tv-programma, schieten mijn haren ten berge. Leuk gezicht, met mijn haar.

Er was dus één jongen die me de hele lagere school gepest heeft. Zes jaar lang stond hij aan de poort om me te slaan. Een jaar geleden hoorde ik dat hij is overleden. Vrouw en kinderen en vooral de drank. Ik ben geen aardige man, ik heb even geglimlacht.

En dan ook: geen Decamerone vandaag, want bezig met Roth. Er is een nieuwe Roth, ik heb hem cadeau gekregen, ik heb hem al gelezen, maar ik moet hem nog een keer lezen om er iets over de schrijven.

Nou, goed, nog een opmerking. Vroeger ging ik vaak naar de kroeg. Kwam ik leuke meiden tegen. Raakten we in gesprek. Na vijf minuten vroeg ik dan: zullen we neuken? De meesten waren verontwaardigd, maar er was er altijd wel één die het een goed idee vond.

En geen nieuws over de muur, maar ik heb wel een idee. Morgen meer. Zullen we neuken?

15 november 2009

er gaat een bully van een koude kermis thuiskomen

Een bont gezelschap van schrijvers en muzikanten treedt zondagmiddag 22 november op in het Haagse Paardcafé tijdens de presentatie van de verhalenbundel Verhalen van de straat. Het eerste exemplaar - waaraan maar liefst 24 schrijvers meewerkten, onder andere yours truly - wordt om 14.00 uur uitgereikt aan de hoofdredacteur van het Haags Straatnieuws Elke Swart. Daarna barst het feest los met optredens en voordrachten. Aanvang 14.00 uur. Entree is gratis. De bundels á €10 zijn deze middag te koop in het Paardcafé, verder te bestellen via verhalenvertellers@live.nl én ze liggen na de 22ste o.a. bij boekhandel Paagman in de Frederik Hendriklaan te De Haag. De opbrengst gaat naar goede doelen.

De hofjesmuur, a continuing story. Donderdag, tijdens mijn telefoongesprek met hem, kondigde meneer de muurtjessloper aan de volgende ochtend in de hof te zijn. Op een toon van: dan spreken wij wel verder. Verder spreken? Waarover dan? Ik ben tot geen enkel compromis bereid: hij moet het sloopwerk herstellen, de muur moet gesloten. Geen ingangen aan de kant van de hof. Het is ook nergens voor nodig, er zitten aan de straatkant van zijn pand reeds voldoende deuren. Daar het nu weekend is, staan de wieken van de ambtelijke molens in ruststand. Maar morgen draaien zij weer onverdroten voort. We zullen zien wat de maandag ons brengt. Mogen wij van het hof met recht zegevieren.

In het ergste geval? Stel dat meneer O. in het gelijk wordt gesteld en hij volkomen vrij is brede gaten in de muur tussen zijn bezit en het hofje te slaan, dan hebben wij aan onze kant toch dezelfde rechten? Dan zal ik vrienden, bekenden en lezers van deze weblog oproepen om op een afgesproken tijdstip met planken en palen aan te wippen. Spijkers en hamers. Dan richten wij aan onze kant een eigen schutting op, met daar tegenaan wat klimplanten. Nee, wat ook gebeurt: er zal hoe dan ook geen man overboord gaan.

Desnoods. Vanaf het begin van het hofje tot bij mijn huisje bestaat de schutting uit betonplaten, je kent ze wel: van zo’n anderhalve meter bij dertig centimeter, op elkaar geschoven langs betonnen palen. We kunnen altijd de gemeente, of andere verantwoordelijke instantie vragen/pressen die schutting door te trekken. Nee, er gaat een bully van een koude kermis thuiskomen.

De Decamerone is dus halverwege de veertiende eeuw geschreven. Laat ik een voorbeeld geven van het toen heersende man/vrouwbeeld. Het is de tweede dag, Filomena is de koningin. De verhalen moeten gaan over hen, die zwaar beproefd werden, maar er tegen verwachting in slaagden, hun moeilijkheden te boven te komen. Dit, alleen ter informatie, want het heeft verder niets te maken met het citaat dat ik uit het verhaal van de koningin zelve, Filomena, zal plukken.

‘Ik heb de man steeds beschouwd als het hoogste wezen dat God op deze vergankelijke aarde heeft geschapen; de vrouw komt pas daarna. Volgens algemene opvattingen en aan de hand van feiten moeten wij de man een grotere volmaaktheid toekennen. Op grond daarvan is hij noodgedwongen de sterkste. Dit blijkt ook wel, daar vrouwen zonder uitzondering een grillig karakter hebben. Men zou dit aan de hand van vele aan de natuur ontleende voorbeelden kunnen aantonen, maar laten wij ons daarin niet verdiepen. De man nu, die begiftigd is met een minder veranderlijk karakter, kan geen weerstand bieden, ik wil niet eens zeggen aan toenaderingspogingen van buitenaf, maar aan de hartstocht die een vrouw in hem wekt en aan de begeerte, het voorwerp van zijn hartstocht in zijn armen te nemen. En niet eenmaal per maand, maar vele malen per dag treft men hem in die toestand aan.’ Enzovoorts.

Dat zegt zij, Filomena, de vrouw. Zij betoogt dat haar sekse wordt gevormd door grillige en zwakke schepselen, mannen daarentegen zijn sterke figuren die hun lul achterna lopen. Vat ik het zo goed samen? Halverwege de veertiende eeuw dus. Is er eigenlijk wel iets veranderd in de zesenhalve eeuw die sindsdien verstreken zijn? Ik waag het te betwijfelen. Als er anno hedentendage maatregelen nodig zijn om de lonen gelijk te trekken en de banen gelijkmatig tussen de seksen te verdelen, lijkt het me dat de mensheid geen meter verder is gekomen. Tegengeluiden zijn welkom. Zoals altijd. Ik bedoel, ik heb de wijsheid niet in pacht. Zou ik die wel in pacht hebben, had ik al eerder een lange, witte baard gekweekt en een praktijk geopend als alwetende. Ik twijfel, dus ik ben.

Het is de maand van het spiritualisme, voor wie het nog niet wist. De maand van de Jomanda’s, de David Ogilvy’s, de Uri Gellers, de Klazienes uut Zalk. Dat speelt volgens mij ook een rol in de veel gehoorde aversie tegen de griepprik. Ik ben gewoon eigenwijs, ik laat mij niet prikken, omdat ik het onzin vind. Bovendien: ik ben nog nooit aan de griep overleden, een ijzersterk argument. Maar het gebeuzel dat zweefteven en leuterberen ventileren aangaande het leven in het algemeen en vaccinaties in het bijzonder... Ik zou bijna geneigd zijn me toch te laten prikken, om de schijn te vermijden dat ik tot dat soort hallucinado’s behoor.

Dat er ouders zijn met kinderen die tot een aangewezen risicogroep behoren en die hun kinderen vaccinatie onthouden, vind ik misdadig. Beslis alleen voor jezelf. Met alle commentaar dat ik heb, lijkt het me wel handig enig geloof aan de uitspraken van deskundigen te hechten. Heus, de geleerden weten waarover ze praten, de Jomanda’s en kruidenvrouwtjes lullen vaak maar wat uit hun nek. Men zou ze moeten verplichten een coltrui te dragen.

Vanwaar trouwens alle heisa. De mensheid houdt immers abrupt op te bestaan in het jaar 2012, het eind van de Maya kalender.

Ben jij ook zo bang? Dan moet je op Geert stemmen. En ik? Ik durf nog over straat, zelfs in het donker. Maar ik woon dan ook in de Schilderswijk.

Een vervolg op mijn laatste van Nieuwkerkje. Matthijs zegt Olumpische Spelen, net als Erica Terpstra, nota bene voorzitster van het Nederlands Olympisch Comité. Zouden zij consequent zijn en ook gumnastiek, gumnasium en musterie zeggen? Huppopotamus?

Dexter. Hij heeft weer kunnen moorden. Een psychiater, die moordde zonder zijn handen vuil te maken. Zijn truc: hij schreef vrouwelijke patiënten, bij voorkeer rijk en succesvol, medicijnen voor. Dan stopte hij in ene met de medicatie, waarop die vrouwen niet meer wisten waar ze het moesten zoeken. De wanhoop nabij. Eigendood, dat was dan nog de enige wens. Hij raadde hen aan een pistool te gebruiken en dat deden er enkelen. Gesprekken met die psieg zorgden er wel voor dat Dexter eindelijk eens goed van bil kon gaan met zijn vriendin. En we weten eindelijk wie de Icetruck Killer is. Niet die nerd, die wierdo die was opgepakt. Dat was een fake, een aandachtzoeker. Nee, het is de prothesemaker, het vriendje van Dexters zuster.

14 november 2009

The show must go on?

De uitzending van The Beagle gaat zondagavond niet door. Enkele medewerkers hebben in Argentinië een zwaar auto-ongeluk gehad: één dode en twee zwaargewonden. Terecht dat men even pas op de plaats maakt. Ik ben nooit aanhanger geweest van het motto The show must go on. Het komt me nogal harteloos over.

Ik ben kraker geweest, jawel. Zodoende heb ik ervaring met projectontwikkelaars, ik ken de beroepsgroep. Voor 80, 90% zo link als een looien deur. Je moet ze in de gaten houden, want als ze de kans krijgen doen ze wat ze willen, lappen ze alle regels aan de laars. Neem de uitspraak van de meneer die de sfeer uit het hofje probeert te halen: het is míjn muur, daar doe ik mee wat ík wil. Dat heeft me tegen de haren gestreken en dan word ik vervelend. Wat ik zei: projectontwikkelaars doen maar wat ze willen.

Ook zonder die uitspraak bijt ik me als een pitbull in dat muurtje vast. Het gaat om mijn woonomgeving, mijn woongenot. Na een uitgebreid telefoongesprek met de dienst stadsontwikkeling, zijn er ‘s middags twee inspecteurs langsgekomen. Ze gaven toe dat de doorgangen inderdaad het karakter van het hofje aantasten. Belangrijker was hun constatering dat de doorgangen niet op de goedgekeurde tekening staan. En, mijns inziens, wat niet getekend is kan niet worden vergund.

Dat er aan de kant van de hof een nooduitgang komt, kan ik billijken: veiligheid voor alles. Maar daarnaast wil hij dus nog drie doorgangen. Twee daarvan zijn eergisteren gehakt. De derde was gisteren aan de beurt: dat had mij mijn planten gekost. De meer dan een meter hoge en anderhalve meter brede Acanthus, de nog bloeiende Brugmansia, ook ruim een meter hoog, en mijn vierenhalf meter hoge Hibiscus, die ik heb opgekweekt vanaf zaailing. Maar het werk ligt gelukkig even stil. Overigens: ik ben een vredelievend mens, maar mocht iemand een hand uitsteken naar dat stuk muur, zal ik met een end hout klaarstaan.

Was ik dus ooit kraker, sinds 22 jaar ben ik gewoon burger. Met een gezonde dosis wantrouwen naar de overheid. Mocht er opeens wel een vergunning voor de doorgangen verschijnen, dan zal ik de zaak tot de bodem uitzoeken. Wanneer is die vergunning dan afgegeven (gisteren?) en door wie. Laat ik niet spreken over handjeklap, maar de (ongewilde) vermenging bestaat wel degelijk: als je jarenlang met een bepaalde beroepsgroep omgaat, neem je ongemerkt toch wat van de mores over; joh, regel dat even voor mij.

De Decamarone van Boccaccio is zo leuk om te lezen. De achterflap vertelt: ‘De verhalen als zodanig zijn ontleend, veelal aan de folklore van Italië of elders. Nieuw is, dat de schrijver in die vroege tijd de mens reeds zag met de blik van een ervaren psycholoog. Dit laatste is het, waardoor zijn flitsende of ontroerende, zijn ondeugende of tragische vertellingen geniale dimensies aannemen.’ Dat is de spijker op de kop.

Honderd verschillende verhalen en verhaaltjes. Zou ik niet zo’n smulpaap zijn, nam ik er iedere dag slechts enkele tot me. Dat kan ik niet, hoewel ik moet zeggen dat ik me aardig inhou. Maar het gaat nog veel te snel. Als gezegd zijn zeven vrouwen en drie mannen het door pest geteisterde Florence ontvlucht naar een kasteel in de buurt. Om de paar dagen verkassen ze. Uit hun midden wordt iedere dag een koningin of koning aangewezen. Die bepaalt wat er die dag zal gebeuren. Vast onderdeel is het om de beurt vertellen van een verhaal, waarbij de koningin het onderwerp en de volgorde van vertellers bepaalt. Boccaccio schreef de verhalen in 1349-1351. Dan lees je: ‘Er woonde luttele jaren geleden in Bologna - mogelijk is hij nog steeds in leven - een vermaarde arts, ik zou haast zeggen een wereldberoemde arts, die meester Alberto heette.’ En je realiseert je: wereldberoemd? Het zou nog een kleine anderhalve eeuw duren voor Amerika werd ontdekt.

Aardig is ook om te lezen hoe er in die tijd tegen de kerk werd aangekeken. Vooral ex-katholieken hebben een grondige hekel aan het instituut en ik ben ex-katholiek. De opdracht van koningin Pampinea voor de eerste reeks van tien verhalen luidde: iets vertellen over een onderwerp dat hem of haar het naast aan het hart ligt. Neifile vertelt. Jeannot de Civigne probeert de jood Abraham over te halen christen te worden. Waarop de jood verklaart naar Rome te zullen reizen om het allemaal eens van dichtbij te zien. Niet doen, denkt Jeannot. Maar hij doet het wel.

Daar aangekomen: ‘Wat een scherp brein opmerkt en wat anderen hem kunnen vertellen is voldoende om het tot de overtuiging te brengen, dat de geestelijkheid van de hoogste tot de laagste zich op de meest schaamteloze wijze aan de zonde van de ontucht overgeeft: of het nu om de natuurlijke zinsbevrediging of zelfs om de sodomie gaat, zij kennen niet de rem van schaamte of wroeging en dit gaat zo ver, dat vrouwelijk en mannelijke geliefden niet te onderschatten vallen voor wie een gunst moet vragen.’ Enzovoorts. Er staan meer van dit soort voorbeelden in het boek. Kortom: doe jezelf een plezier en lezen!

Weer een Van Nieuwkerkje? Hij zegt olumpische spelen, moet je maar eens opletten. Ook die trien van het NOC - waarom griezel ik altijd van dat mens? - zegt olumpisch. Weet iemand waar die uitspraak vandaan komt?

Er zijn zaken waarover ik niet schrijf, omdat ze me domweg niet interesseren. Kilometerheffing? Ik rij fiets. De verhoging van de AOW-leeftijd? Wat kan mij dat nou schelen als afgekeurde? Meer vrouwen aan de top? Als man en afgekeurde gaat dat volkomen langs me heen. Dop jij jouw boontjes, dan dop ik de mijne, ik bedoel: hoe vaak maken werkenden zich druk over de positie van uitkeringsrukkers?

Dexter. De recensent van de Krant schreef dat de kijkcijfers achterblijven. ‘Logisch. Want hoe lovenswaardig ook (om de serie dagelijks uit te zenden): geen modern mens heeft twaalf dagen achtereen tijd en zin om wakker te blijven voor een tv-serie. Die heeft op dinsdagavond zijn volleybalavondje, zit vrijdag in het café en krijgt zaterdags eters over de vloer.’ Ach. Ik sport niet, ik ga niet naar de kroeg en met zes katten heb ik al eters genoeg over de vloer. Dus ik zie alle afleveringen.

Ter informatie toch eens die kijkcijfers erbij gepakt. Dat zijn, maal 1000: zon 247, maan 268, dins 178, woens 218, donder 175 en vrij 234. Dat vind ik alles meevallen, gezien het tijdstip: laat en tegenover Waus en Pitteman.

Gisteren? Er zijn twee killers opgepakt, onder andere de jongen uit aflevering vier, die wel degelijk seriemoordenaar blijkt te zijn. Dexter herkent een soortgenoot in hem en wil met hem praten. Edoch, het joch doet eigendood in zijn cel. De andere is een rare wierdo, een gestoorde nerd. Hoewel Dexters collega’s ervan overtuigd zijn dat ze de Ice Killer te pakken hebben, weet hij wel beter. Vanavond verder. Morgen even niet, want dan moeten we spuiten en slikken. Jeez, wat is dat BNN me tegengevallen. Is er naast hun reisprogramma, ism Llink, ook maar iets dat jou interesseert? Mij niet. Banaal, plat, het kijken niet waard. En daar krijgen we straks Pow Net bij. Mark my words: weldenkend Nederland zal weer meer gaan lezen.

13 november 2009

Het moet niet gekker worden

Is dat niet het motto van onze geachte afgevaardigde van de PVV? Maar, sorry Geert, het gaat vandaag niet over jou. Het kan niet altijd over jou gaan. Het gaat nu over mij en mijn woonomgeving, mijn woongenot. Naar bekend is woon ik in een hofje. Een hofje, in dit geval, is een verzameling woningen die achter de bebouwing van de eigenlijk straat ligt, toegankelijk via twee poorten. Hij woont in de poort, zeggen ze in De Haag. Een dorpje in de stad. Mijn hofje is gebouwd in 1890 en in 1987 gerenoveerd. Sinds die tijd woon ik er, dus nu ruim 22 jaar. Te gek, lekker rustig, mooie planten voor de deur, ‘s zomers zit ik er in mijn tuinstoel met een boek op schoot.

Schuin tegenover mijn huisje, achter de schutting, aan de straatkant staat een oud pakhuis. Ik heb er eerder over geschreven dat ik het vreemd vind dat alles in de straat nieuwbouw is, maar dat pakhuis mocht blijven staan. Het zij zo, laat ik niet meteen zeggen dat ik denk dat er met penningen is geschoven. Ook schreef ik dat er onlangs ineens met een verbouwing is begonnen. Er is een etage op gebouwd en het hele complexje wordt verbouwd tot appartementen, 28 stuks. Daar komen studenten in te wonen en niet voor een appel en een ei. De huur maal 28: tel uit je winst, een dik jaarsalaris per maand. Nogmaals: het zij zo.

Gisteren hoorde ik constant een driftig gehak. Ik ben maar eens gaan kijken. Ingehuurde goedkope werkkrachten waren bezig gaten te maken in de muur/schutting tussen het pakhuis en de hof. De planten die aan deze kant stonden werden bedolven onder het puin. Geschrokken sprak ik de hakkers aan, maar dat was zinloos door taalproblemen. Gelukkig sprak de voorman wat Nederlands. De ingangen van het complexje komen aan de kant van het hofje, de 28 bewoners zullen straks via de hof naar hun voordeur lopen, aan de straatkant komt slechts een nooduitgang. Mooi is dat, dag rust. Van de voorman kreeg ik het 06-nummer van de eigenaar. Gebeld. Vriendelijk te woord gestaan, maar: het is míjn muur en daar doe ik mee wat ík wil. Dat zullen we nog weleens zien.

Inmiddels contact gehad met de Dienst Stadsontwikkeling: mag dat zomaar, heeft die meneer daar geen vergunning voor nodig, heeft die meneer die vergunning, dat soort vragen. Men bleef mij het antwoord schuldig, maar binnenkort komt er een buitenmedewerker bij me langs. Mochten zijn ingangen illegaal zijn, dan maakt hij ze maar weer dicht. Mochten ze wel legaal zijn, dan voel ik me genaaid en niet in de seksuele betekenis van het woord. Let wel: wij, de bewoners van het hofje, hebben tevoren geen enkele informatie gekregen. Enfin.

Er klonk grote verontwaardiging toen bleek dat een aantal profvoetballers, van AZ, PSV en NAC, voor hun beurt de prik tegen de Mexicaanse griep hebben gekregen. Hoezo? Is het een beter-laat-dan-nooit reactie? Want: what’s new? Als zo’n figuur een flinke trap tegen zijn schenen krijgt, een bedrijfsrisico, wordt hij toch ook met voorrang in het ziekenhuis behandeld, terwijl jij op een wachtlijst terecht komt? Het is de poen die de volgorde bepaalt en is dat niet zo op alle terreinen in de maatschappij?

Zoals je weet zal ik me niet tegen de Mexicaanse griep laten vaccineren, zoals ik nog nooit een griepprik ben gaan halen. Dit niet uit Bible Beltachtige overwegingen. Niet omdat ik bang ben dat er meteen een chip in mijn lijf wordt geschoten waarmee Big Brother me in de gaten kan houden. Niet omdat ik vermoed dat het middel erger is dan de kwaal. Zelfs niet omdat ik denk dat de boel wordt opgeblazen om de farmaceutische industrie een plezier te doen. Dat laatste speelt natuurlijk wel een rol in de hele hype, maar het speelt geen rol in mijn overweging. Ik doe het niet, omdat ik het onzin vind. Flauwekul, zonde van mijn tijd.

Weet je: ik ben nu 57. Ja, ik weet, ik klink veel jonger, maar ik ben echt 57. Het is niet erg aannemelijk dat ik overlijd nog vóór ik deze log op het web heb gezet, maar feit is dat het elk moment kan gebeuren. Dat is vooral jammer voor hen die deze weblog graag lezen. Verder is er geen man overboord. Eén ding is echter zeker: ik ben inmiddels over de helft, want who the fuck wordt 114? Ik? Wonend in de smog van de grote stad, al ruim veertig jaar zwaar rokend, zwarte koffie drinkend, regelmatig de Hobbemastraat overstekend om naar de buurtsuper te gaan? Alles in aanmerking genomen leef ik al ruim zeven jaar in reservetijd. Als het niet langer is.

Risicogroepen? Al dat leeft zit in de risicogroep. Ik leef, dus ik sterf.

Nee, die griep, het zal mijn tijd wel duren. Als je bang bent dat ik door mijn non-vaccinatie een mogelijke bron van besmetting ben, dan blijf je toch lekker uit mijn buurt. Wel zo rustig voor jou en zeker voor mij.

Dexter heeft weer niemand kunnen vermoorden, maar het zweet heeft in aflevering zes op zijn voorhoofd gestaan. De twee mensensmokkelaars van aflevering vijf had hij in zee gedumpt. Voor zijn volgende forensisch expertklus moest hij naar betreffende autosloperij. Grote schrik: de vrouw van het stel was daar aangetroffen! The Iceman had haar opgedoken! Nog een probleem: een jongetje, één van de gevluchte Cubanen, had zich verborgen in kofferbak van een auto en had hem met de vrouw bezig gezien. Nadat het joch op zijn gemak was gesteld, ging de politie-tekenaar met hem aan de slag. Sketch-artist heet dat in het Engels, wat ik een veel mooiere term vind.

Toen de artist klaar was stonden de politielui die het resultaat bekeken perplex. Dexter zag vanaf een afstand hun reactie en zweette peentjes. Kom eens kijken, werd hem gezegd. Schuchter schoof hij naderbij: op aanwijzingen van het jongetje had de sketch-artist een klassiek portret van Jezus getekend. Dat in kort bestek, vanavond weer een aflevering.

Yvon, het was inderdaad Floris Jespers en wel hierom

12 november 2009

Zeven maal zeven maagden

In de vijfde aflevering neemt Dexter revanche voor de vierde, de moordloze: hij slaat een dubbelslag. Hij heeft een mensensmokkelaar op het oog. De hond vaart tegen goed geld mensen van Cuba naar Miami en daar aangekomen eist hij extra geld. Degenen die niet kunnen of willen betalen eindigen als haaienvoer. Hij volgt de man en brengt zijn leven in kaart. De creep blijkt een vrouw te hebben en Dexter voicet-over: ik heb nog nooit een weduwe gemaakt. Als hij de smokkelaar overmeesterd heeft op het terrein van diens autosloperij, waar hij nieuw aangekomen opsluit in een loods, komt vrouwlief ten tonele. Uit haar gedragingen blijkt dat zij handlanger is, dat man en vrouw een tweemansbedrijf runnen. De del komt uiteindelijk op een tafel naast haar man te liggen. Ze lijken hem net zo emotieloos als hijzelf en daarom stelt hij hen de vraag: hoe kunnen jullie een stel zijn? Antwoord: omdat we hetzelfde willen. Zo heeft hij weer een les geleerd, voor hen is het te laat.

Ach, die Dexter. In aflevering vier zet zijn geremde vriendin haar remmingen opzij en pijpt hem. Het bevalt. In aflevering vijf wil hij iets terugdoen, louter om ‘erbij’ te horen, om ook een gewoon mens te lijken: hij maakt aanstalten haar te beffen. Ze houdt hem tegen, ze is niet in de stemming. Weer begrijpt hij niets van mens en emoties.

Ondertussen bij Casanova. Hij is dood! Het boek is dicht. Hoe verwerpelijk ik zijn gedrag vaak ook vond, je gaat je toch aan iemand hechten als je ruim zeshonderd bladzijden met hem bezig bent. Dat hij dood is wéét ik toevallig, want in zijn Mémoires rept hij er met geen woord over. Wel schrijft hij tegen het eind van zijn leven, op het kasteel Dux van graaf Joseph von Waldstein-Wartemberg in Duitsland, over het jaar 1763: ‘Ik was nog pas achtendertig jaar, maar als in de gewone loop der natuur de dalende lijn kan worden afgemeten aan de stijgende, meen ik thans, in 1797, op nog ten hoogste vier jaren levenstijd te mogen rekenen, en die zullen gauw genoeg voorbijgaan, krachtens het beginsel dat de beweging naar het einde toe versnelt.’

Hij zat ernaast, hij had op dat moment nog slechts één jaar te leven; in 1798 stierf hij. Ik hoop dat er daar (waar? daar!) zeven maal zeven maagden op hem hebben staan wachten. Dan heeft hij het in elk geval de eerste drieënhalve week naar zijn zin gehad.

Om in de Italiaanse sfeer te blijven ben ik meteen doorgegaan in Boccaccio’s Decamerone. Giovani Boccaccio (1313-1375) leefde vier eeuwen voor Casanova, voornamelijk in Florence. De Decamerone speelt in 1348, toen er een zware pestepidemie woedde. Pestepidemie? Dat is zoiets als de Mexicaanse grieppandemie, maar dan voor het echie. Zeven vrouwen en drie mannen, twintigers, ontvluchten Florence en verschansen zich in een kasteel in de buurt van de stad. Let wel: in alle luxe. Ze hebben personeel meegebracht en de kelders zijn overdadig gevuld. Daar vertelt ieder van hen gedurende tien dagen elke dag een verhaal. De Decamerone bevat dus honderd verhalen. Het eerste heb ik gelezen, nog negenennegentig te gaan: ik kan weer even vooruit.

In antwoord op mijn vraag van gisteren over de poppy, de klaproos op Britse revers, kreeg ik een reactie van mijn trouwe lezer Ralf. Voor wie de reacties niet leest: De klaproos is een verwijzing naar het gedicht In Flanders Fields uit 1915 van John McCrae, een Canadese arts tijdens de Eerste Wereldoorlog, die zelf overigens in Januari 1918 aan longontsteking crepeerde:

                                                     In Flanders fields, the poppies blow
                                                     Between the crosses, row on row,
                                                     That mark our place; and in the sky
                                                     The larks, still bravely singing, fly
                                                     Scarce heard amid the guns below...

                                                     We are the Dead. Short days ago
                                                     We lived, felt dawn, saw sunset glow,
                                                     Loved, and were loved, and now we lie
                                                     In Flanders fields...

                                                     Take up our quarrel with the foe:
                                                     To you from failing hands, we throw
                                                     The torch; be yours to hold it high.
                                                     If ye break faith with us who die
                                                     We shall not sleep, though poppies grow
                                                     In Flanders fields...

En Marjon stuurde het adres waarop het complete boek van genoemde McRae te vinden is.

Wat een flapdrol blijkt die Van Nieuwkerk toch keer op keer te zijn. Ab Klinkt heeft harde woorden gesproken aan het adres van huisartsen die zich niet precies aan zijn protocol houden, namelijk: tot 23 november alleen de aangewezen groepen vaccineren. Wie de aanwijzingen overtreedt zal hij voor de medische tuchtraad slepen. Grote woorden voor een klein manneke. In DWDD Rob Oudkerk, ex-huisarts. Wat zou hij doen? Oudkerk legde uit dat als hij een zeer verontruste moeder in zijn spreekkamer kreeg, met kinderen die eigenlijk buiten de boot vallen, maar die uit angst zou aandringen op vaccinatie van de kids, hij het zou doen. Dus u zou de aanwijzingen van de minister negeren? Nee, maar in uitzonderlijke gevallen wel. Ik heb niet geteld, maar zeker tien, vijftien keer stelde Van Nieuwkerk dezelfde vraag, en steeds nadrukkelijker gaf Oudkerk hetzelfde antwoord. Er heeft waarschijnlijk geen andere vraag op het briefje van Matthijs gestaan en om nou zelf vragen te gaan verzinnen...

Maar wat nou, lieve Yvon, als de boer een man zoekt? Ben jij overigens familie van Floris Jaspers? Of heette die Jespers? Ik ben het even kwijt.

Ze weten van gekkigheid niet wat te verzinnen om kijkers te trekken en zendtijd te vullen. Er is nu een programma waarin aan de hand van een DNA-test wordt uitgezocht of de vermeende vader wel de echte vader is. Ik ben met stomheid geslagen. Geen commentaar dus.

Laatste reacties

november 2009

ma di wo do vr za zo
            1
2 3 4 5 6 7 8
9 10 11 12 13 14 15
16 17 18 19 20 21 22
23 24 25 26 27 28 29
30            
Neem inhoud van deze site over (XML)