A man is happiest when there is a balance between his needs and his possessions - Trevanian

contact: bontebal@bart.nl

9 februari 2010

Kunnen jullie waterkraan?

Het is de verjaardag van Pa. Hij zou zevenentachtig zijn geworden. Het was een goed mens.

Het was nacht, stikdonkere nacht. De rovers zaten rond het kampvuur en de roverhoofdman sprak: Het was nacht, stikdonkere nacht. De rovers zaten rond het kampvuur en de roverhoofdman sprak: Het was nacht, stikdonkere nacht. De rovers zaten rond het kampvuur en de roverhoofdman sprak: Het was nacht, stikdonkere nacht. De rovers zaten rond het kampvuur en de roverhoofdman sprak: Het was nacht, stikdonkere nacht. De rovers zaten rond het kampvuur en de roverhoofdman sprak: Het was nacht, stikdonkere nacht. De rovers zaten rond het kampvuur en de roverhoofdman sprak... Eén voor één vielen de rovers in slaap.

HANNAH, EEN TRAGISCH GEDICHT IN EEN BEDRIJF OF VIJF.

EEN

Waarin ik alleen ontbijt en met haar de lunch gebruik. Ik onderneem iets dat wel, en iets dat niet voltooid zal worden.

Bij het ontwaken, die dagelijkse onnadenkendheid, schiet mij ‘Beekbergen’ door het hoofd. Het is een welkome afwisseling op de pijnscheuten die gewoonlijk het ochtendgloren ontluisteren.
    De worsteling met Morpheus is kort maar hevig. Hij delft het onderspit; een wanprestatie die hij bij voortduring uit voorraad weet te leveren.
    Hij plet voor mij de weg, de reis moet een aanvang nemen. Ik kleed mij aan en nuttig een licht ontbijt van scharreleieren, thee en eergisterens kinderhandjes. Dan neem ik afscheid van haar die gewoontegetrouw de nacht naast mij doorbrengt. We houden van elkaar.
    Ik neem de tram naar het Bezuidenhout en huur voor een dag een middenklasser zonder chauffeur.
    Op de Utrechtse Baan gaat het reeds mis.

Onder de Haagse Jaques Borel (Snackkar De Vrijheid, voor een smulrol en een patatje oorlog) begint de stank verwekkende file richting Oberhausen.
    Non stop brengt Radio Drie Driebergen, slechts afgewisseld met de vocale smurrie van dames met onderontwikkelde stembanden, doch met de longen in feestverpakking.
    De speakers weigeren hardnekkig elk beeld.
    Ik heb niets te lezen ingepakt.

Om de tijd te doden draai ik een raampje open en richt me tot de dame in het roofdier naast me. Ze draagt een parelketting. Pennyshoes ontsieren ongetwijfeld de pedalen. Als milieuonbewuste beweeg ik mij vlot in omhooggevallen kringen.

Ik vraag haar hoe het staat met haar lust tot copuleren.
    ‘Zum Kotzen’ blijkt zij Duits.
    Ze braakt een tirade over
    hoofdpijn
    menstruatie
    nooit voor twaalven
    een niet onredelijk huwelijk
    Aids
    Weltschmerz en
    mijn onappetijtelijkheid.

Als ik, niet echt teleurgesteld, het tochtgat weer wil sluiten hoor ik nog net ‘Aber doch’ en ‘Ich bin von Kopf bis Fuß...’ Dat laat ik mij tweemaal zeggen.
    Dan pas verkas ik naar haar auto die wat ruimer bemeten is dan de mijne.
    Wat mijn ogen zien betasten mijn handen.
    De morfogenetische krachten die haar in de puberteit hebben geteisterd blijken een perfecte klus te hebben geklaard.
    We nemen enthousiast de standsverschillen door en ik raak verstrikt in al haar mooie, fijne parels. Het lijkt een remake van Lady Chatterley en haar boswachter, zij het dat zijn hut haar Jaguar is.

De elementaire bewegingen zijn niet wezenlijk afhankelijk van inkomen en nationaliteit.
    De tune van de Sterreclame bepaalt ons ritme en op de piepjes van het hele uur is de burendienst compleet.
    Tissues bezorgen de extase met terugwerkende kracht een onbevlekt karakter.

We schrikken van het nerveuze getoeter achter ons.
    Voor ons is de file opgelost, maar in onze staart hebben we de neurotenwoede gewekt.
    Allen de man met het bolhoedje in de rode auto op de rechterbaan knikt ons begrijpend toe. Zijn ogen zijn zeeën van bezwete jeugdherinneringen.

Beschroomd (als altijd na de daad) stap ik weer in de huurwagen en start de  motor.
    ‘Ich schicke keine Karten,’ schreeuw ik nog, maar ze vliedt reeds Heimatwaarts, vervuld van eindeloze stranden bezaaid met versgedempte kuilen.

Op de fly-overs van Verkeersplein Leidschendam (officieel Prins Clausplein, ondanks een lage doordraaibaarheidsgraad) lukt het mij de weg naar de stad te hervinden.
    Beekbergen is mijn Unvollendete als ik in het Bezuidenhout, dat met zijn fallus-bebouwing wacht op een volgend geallieerd bombardement, de auto bij de verhuurder terugbezorg.

Bij thuiskomst is de boel aan kant en zij compleet beschilderd. Op tafel prijkt een lunch voor twee.
    ‘Ik had je verwacht,’ zegt ze. ‘Je kan niet zonder mij.’

Morgen verder. Is het toeval? In 1985 publiceerde K.L. Poll zijn Anna, een tragisch gedicht in drie bedrijven.

Sieneke, Sieneke. Meisje toch. Omdat er commotie is, heb ik je nu een paar maal gezien. Je bent niet blond met het stro nog in je haar, dat neem ik terug. De commotie gaat wonderlijk genoeg niet over de kwaliteit van het liedje. Want geef toe: het is tien keer niks. Die Kartner heeft weer op de automatische piloot gevlogen. Maar het gaat wel om die Kartner. Er scheen een jury te zijn, maar die kwam er niet uit. Je eindigde ex aequo, dat is oud-Europees voor gelijk met iemand anders. Dus moest die Kartner de knoop doorhakken. Juffrouw Sneijder-Kabaal van Kasbergen moest hem smeken: zeg het nou Pierre! En met een wegwerpgebaar: Sieneke. Doe dan in godsnaam maar Sieneke. Wat een hufter. En wat een start van een carrière. Wat je zou moeten doen is weigeren met dit deuntje naar het songfestival te gaan. Om de meubelen nog enigszins te redden.

8 februari 2010

Om ons te helpen opnieuw instellen van uw ruimte

Om de toon te zetten: De dichter met zijn houten poot / ligt verzen lallend in de goot / hij bralt een lied van do naar si / maar erg maatvast, dat is-ie nie.

Natuurlijk heb ik ook zelf schuld: ik had even de moeite kunnen nemen De Gids na te kijken. Maar je had me ook kunnen waarschuwen. Wijs ik je niet dag in dag uit op de prachtigste boeken? Nou dan. Je kan ook zelf in een bibliotheek rondspeuren, maar ik geef je die service. Dan had je me dus best even kunnen wijzen op het Nationaal Songfestival. Dat het dit weekend werd gehouden en dat de Tros het live uitzond. Nu heb ik het gemist en daar baal ik stevig van. De uitslag moest ik vanochtend in De Krant lezen: Sieneke heeft gewonnen. Zeventien jaar. Protégé van Marianne Weber; geen familie van de componist Carl Maria Friedrich Ernest von, maar toch helemaal niet onverdienstelijk in muziekland. Sieneke. Er staat geen foto bij het stukje, maar ik zie haar voor me: een wulpse, blonde deerne met het stro nog in het haar. Zij gaat ons straks vertegenwoordigen in Noorwegen. Sha la lie, Sieneke, en toi toi toi.

Ja ja, ik weet het, ik heb makkelijk praten. Ik heb geen duizenden euri aan spaargeld, ik heb geen tonnen hypotheek. Dus het hele gedoe met iCesave en de DSB raakt mij niet direct. Maar ik volg het met belangstelling. En, laat ik dat niet vergeten: met leedvermaak. Ik bedoel. Hoe zeer ik ook met je te doen heb, je bent er wel zelf met open ogen ingetuind. Neemt niet weg dat je door wijzere en ter zake kundiger mensen gewaarschuwd had moeten worden. Onlangs presideerde de parlementaire commissie in zake de financiële crisis. Een aimabele man hoor, De Wit, de voorzitter van de commissie, maar alle betrokkenen, alle schuldigen, hebben weer opgelucht het pand kunnen verlaten. Had wat meer je tanden laten zien. Een kunstgebit desnoods.

De Nederlandse Bank heeft niet alleen steken laten vallen, ze hebben het hele breiwerkje in de soep laten lopen. Terwijl zij wisten. Een mooi voorbeeld is de bankvergunning voor de boef Scheringa. Op de formulieren die in 1985 zijn ingestuurd was bij een veertigtal punten ingevuld: o, dat moeten we nog regelen, o, zo’n persoon moeten we nog aanstellen. Het rammelde dus aan alle kanten, maar ze hebben eerlijk de gegevens verstrekt. Toch heeft de Nederlandse Bank de vergunning verleend. Als brave burger die een bon krijgt als zijn achterlicht het niet doet vraag je je dan af: waarom zijn er geen koppen gerold, waarom zit die Scheringa niet in de bak?

Kijk, nogmaals, het gaat me allemaal geen reet aan, ik ben geen slachtoffer. Maar zij die wel slachtoffer zijn begrijp ik niet. Je bent je spaargeld kwijt, de bent door je hypotheekverstrekker naar de kloten geholpen en de boef Scheringa woont nog steeds riant. Dan sloop je de zooi toch onder zijn kont vandaan. Steen voor steen. En mocht je worden opgepakt: toon de rechter je bankafschriften. Als dat geen verzachtende omstandigheden zijn. Terug naar het begin van deze drie alinea’s: dat is raar hè, anno 2010. Dat je makkelijk praten hebt als je geen cent te makken hebt.

Vanaf morgen, in zes afleveringen: Hannah, een tragisch gedicht in een bedrijf of vijf. Van mijn hand. Een bedrijf of vijf? Het zijn er dus zes. Vandaag een korte inhoud van het voorafgaande:

De oerknal. Het ontstaan van de aarde. De eerste vormen van leven. De evolutie.
    Freuds ontdekking van een gigantisch gat in de boeken- en banenmarkt, twee wereldoorlogen en de watersnoodramp, waarna de postbode een brief heeft besteld bij de man met het bolhoedje.
    Deze is daarop gehaast in de rode auto gestapt. De kont van de kar naar de kust, de steven naar Zoetermeer, die mislukte koon van de Bijlmer.

De laatste regel van dit smartelijk vers wil ik alvast verklappen: want liefde is wat de gek erom geeft. En zo is dat.

De wieleruitslagen? Veldrijden in Lille, veldrijden in Zonhove, vierde en vijfde etappe én de einduitslag van de Ster van Bessèges, eerste etappe van de Ronde van Qatar, eerste etappe van de Trofeo Palma de Mallorca, de mannen en de vrouwen op de baan in Alkmaar: pagina 14 van De Krant, vierde kolom.

Daar komt Sieneke, blonde Sieneke, daar komt Sienie met het stro nog in heur haar.

Het Nationaal Songfestival: 2.053.000 kijkers. Hetzelfde tijdstip op Nederland 2, The Beagle: 431.000 kijkers. En daar wil ik helemaal niks mee zeggen.

PS Een vriend stuurde mij en al zijn andere vrienden een mail met daarin onder andere: ‘Ik ontving een mailtje zonder tekst maar met een verwijzing naar een link. Als men dit opent is de computer besmet en bestaat er een grote kans (volgens de kenners) dat het virus het gehele aanwezige adressenbestand van die besmette computer benaderd met hetzelfde virus.’ Hij heeft de link dus geopend. Niet om het een of ander hoor. Nu heb ik veel haar op mijn hoofd, maar er is er niet één die er in zo’n geval over piekert dat te doen.

PPS Of zoiets, ik ontving het vandaag:

Deze informatie wordt verstuurd door KPN HETNET Helpdesk die Program periodiek controleert of de grootte van E-mail Space, waar nieuwe berichten zijn ontvangen. Het programma wordt wekelijks worden uitgevoerd om ervoor te zorgen niemand inbox groeit te groot. Als uw postvak wordt te groot is, kunt u geen nieuwe e-mail te ontvangen. Net voordat dit bericht werd verzonden, je had 18 megabyte (MB) of meer van de berichten opgeslagen in uw inbox op KPN HETNET Webmail. Om ons te helpen opnieuw instellen van uw ruimte op onze database voor onze INBOX, moet u het antwoord op deze e-mail en geef uw huidige
Gebruikersnaam .......... en Wachtwoord ...........

Lees nog eens door, let vooral ook op het zorgvuldige Nederlands. Ja hoor, ik ben Gekke Henkie. In eigen persoon.

7 februari 2010

De nichten van het asfalt

Nu reeds de Aanfluiting van het Jaar: Van Zon op Zaterdag. Heb je het nog gezien? Ik ook niet.

Skitty had weer een vogel gevangen. Een vogeltje, formaat mus. Ze kwam er grommend mee de keuken binnen. Determineren lukte me niet. Het was geen mus, die zie je hier nauwelijks, ook geen roodborstje, die zie je meer, maar wat het dan wel was?? Ze heeft het beestje schoon opgegeten. Slechts wat veertjes en twee pootjes restten. Zo waarlijk is Bruin mijn getuige - we zaten samen het veldrijden te kijken.

Er is een rangorde in het nieuws, dat begrijp ik. Het ene item is belangrijker dan het andere. Het één is voorpaginanieuws, het ander pagina drie of vijf. Niet dat ik die rangorde altijd begrijp. Voorbeeld. Het Journaal van zaterdag. Eerste item: er is een dik pak sneeuw in Washington gevallen. Een heel dik pak. Het openbare leven ligt op zijn kont - misdaadcijfers zijn dramatisch gedaald, maar dat wordt niet vermeld. Item vier of vijf: overstromingen in Mexico. Tientallen doden, veel vermisten. Een drietal regio’s is tot rampgebied verklaard. Het is niet zo dat ik die rangorde altijd begrijp.

Het zal de leeftijd zijn, maar ik doe nauwelijks nog aan sport. Eigenlijk alleen nog wielrennen; veldrijden in de winter, de grote koersen op de weg tijdens de rest van het jaar. Wist je overigens dat veldrijders en mountainbikers wegrenners ‘de nichten van het asfalt’ noemen? Maar dit terzijde. Wielrennen, verder doe ik niets meer aan sport. Actief al helemaal niet. Nou ja, zo nu en dan iets solo, op mijn slaapkamer. Ik heb nagedacht over de komende Olympische Winterspelen. Conclusie? Er is niets dat me interesseert, niets waar ik naar uitkijk. Heus, ik gun Nicolien Sauerbrei, Sven Kramer, de sleetjesrijders in de viermansbob het allerbeste, maar het kan me niet boeien. Gelukkig wordt het meeste op een weinig storend tijdstip uitgezonden.

In mijn log van gisteren een foutje gemaakt. Over de veldrit schreef ik dat hij verreden werd in Lille ‘of Rijssel, zoals anderen zeggen.’ Tot mijn verbazing spraken de commentatoren de plaatsnaam uit als Lilluh. Rare Belgen, dacht ik. Toch maar even de landkaart erbij gepakt, want Wuyts en consorten zijn geen domme jongens. Ze hadden gelijk. Lille is een dorp op zo’n twintig kilometer ten oosten van Antwerpen. Er is geen mens die dat Rijssel noemt. Daar werd de koers gereden. De uitslag? Ach, die zie je morgen wel in de krant. (Marianne Vos versloeg Daphny van den Brand in de spint, Sven Nys deed hetzelfde met Zdenek Stybar).

In de Ster van Bessèges wist Samuel Dumoulin zijn landgenoot Arnaud Molmy van Roubaix-Dalkia in de sprint te verslaan, maar de eerste bleek de tweede gesneden te hebben en werd gedeklasseerd. Molmy voert nu het algemeen klassement aan. Beste Nederlander is Johnny Hoogerland: twaalfde op 19 seconden. Bozic is gekelderd naar een 86ste plaats op meer dan twintig minuten. Vandaag is de laatste etappe. Vandaag is ook de eerste etappe van de Ronde van Qatar, vrijdag de laatste. De grote namen uit het peloton verschijnen daar aan de start, Eurosport zal er enige aandacht aan besteden.

Om heel serieus te eindigen: het verhaal van Belle uit Blue Belle van Andrew Vachss.

Opgegroeid in het zuiden van Florida, ‘on the edge of the swamp in a tiny house’, met haar alcoholistische en gewelddadige vader en haar oudere zus Sissy. Er werd haar verteld dat haar moeder was overleden. Belle vertelt: ‘Sissy was hard on me. I had to do my chores sharp, or she’d let me know it. Homework too. Sissy made sure I did my homework. Always sent me to school clean, no matter how things were at home. She never had a new dress in all the time I knew her. Said it didn’t matter to her. She had nice nightgowns, though. She caught me trying one on once and she took a switch on me so hard I didn’t want to sit down for a couple of days. Anything she had, she’d give it to me. Except those nigthgowns. Or her perfume.’

Op een avond is haar vader als een hoerentoeter, zoals we in deze streken zeggen. Belle hoort hem vechten met Sissy. Ze gaat erop af en springt hem op zijn rug. Samen weten ze hem eronder te houden. Hij taait af, maar ‘I’ll be back tonigth, he told Sissy, I’ll be back, and I’ll take what is mine.’ Zodra hij verdwenen is pakt Sissy een koffer en propt er al Belle’s spullen in. Oók haar eigen nachtjaponnen. Dan neemt ze haar mee naar de tuin en zet haar op een bepaald punt aan het graven. Er komt een kistje met geld naar boven. En nog twee. Totaal ruim duizend dollar. Dan zegt ze Belle dat ze weg moet wezen. Door de swamp, naar de weg, op de bus en net zolang doorrijden tot ze de staat uit is. Het kind is veertien. Belle omhelst haar. Ze duwt haar weg:

‘Looked at me like she was memorizing me. Then she slapped me accross the face. Hard.
    “Why’d you slapped me, Sissy?” I asked her. “Why’d you slapped me? You never slapped me in the face in all of my life.”
    “I slapped you so you’ll never forget my name, baby. Don’t you ever call me Sissy again, not even in your dreams.”
    I was standing there, crying. Sissy rubbed my face where she slapped me. So tender and sweet. She kissed me to take away the pain, like she used to do when I was little. We heard father’s car pull in. Sissy was calm. “I’m not just your sister Belle. I’m your mother.” I couldn’t move. “Go!” Sissy said. “Go, little girl. I’m your mother. I kept you save. Now go!”’
    Belle is er nog getuige van dat haar vader Sissy doodschiet.

Na deze scene zat ik te janken, dat heb ik soms met boeken. En films. En dingen die me worden verteld. Belle voegt er aan toe dat ze erachter is gekomen dat haar vader in de bak zit: tien jaar wegens moord. Burke begrijpt het niet, het is allemaal veertien jaar geleden. ‘He never did a day for killing my mother. He shot a man in a dispute over some gator hides.’

6 februari 2010

Monteer feestverlichting, zou ik zeggen

De thrillers van de Amerikaan Carl Hiaasen zijn vermakelijk om te lezen. Ze spelen in het zuiden van Florida, Miami en omstreken, waar Hiaasen werkzaam is (was?) als journalist. Onderwerp is vaak het milieu. Een regelmatig terugkerende figuur in zijn boeken is een ex-gouverneur van die staat, die op een gegeven moment, de corruptie beu, spoorloos is verdwenen. Maar wij weten waar hij zit: hij verblijft in de Everglades waar hij zich voornamelijk in leven houdt met roadkill, doodgereden dieren. Geinig om te lezen, hoewel er het nodige geweld in voorkomt. Zo wordt in een van zijn boeken iemand vermalen in een houtverpulveraar. Je kent die dingen wel: bosarbeiders en de plantsoenendienst gebruiken ze om van takken handzame snippers te maken. Ook is er een verhaal waarin een boef wordt gebeten door een pitbull of soortgelijke vechtmachine. Hij krijgt het beest niet los en van armoe hakt hij zijn kop eraf. De rest van het boek loopt hij met een hondenkop aan zijn arm. Ik vertel dit, omdat je ook een hoop lol kan hebben met een thriller.

Hoe anders is dat met de boeken van Andrew Vachss. Deze spelen in New York. Van beroep is Vachss advocaat en hij houdt zich voornamelijk bezig met zaken betreffende kindermishandeling en kindermisbruik. Daar gaan zijn verhalen dan ook over en dat is vaak slikken. Na Down in the Zero (1994), Flood (1985) en Strega (1987), ben ik nu aan de vierde op rij bezig: Blue Belle (1988). Als die verhalen zo gruwelijk zijn, waarom lees ik ze dan? Ze zijn heel informatief, want Vachss weet beroepshalve waarover hij het heeft, ze zijn erg goed geschreven en de bad guys delven altijd het onderspit. Meestal leggen ze het loodje. Laat ik een voorbeeld geven waar ik echt misselijk van werd.

In Strega (Italiaans voor heks) is zijn vaste hoofdpersoon, Burke, op zoek naar een polaroid van een jongetje: het idee is dat pas als de foto voor de ogen van het kind wordt vernietigd, het zal kunnen beginnen met het verwerken wat hem is overkomen. Burke bezoekt een welgestelde, praktiserende pedofiel in de hoop dat deze hem verder kan helpen (deze staat, helaas voor Burke, onder hoge bescherming.) De creep wil weten wat voor foto het is. ‘A sex picture,’ I (Burke) said. ‘Um...’ he mumbled. ‘Not such an unusual picture. Little boys in love do things like that.’ Ze hebben niet alleen de overtuiging dat er niets mis is met hun praktijken, dat de ‘liefde’ van twee kanten komt, ook verkondigen zij het idee de kinderen juist verder op weg te helpen in hun leven. Luistert.

‘If the picture was taken by his mentor, then it wouldn’t be circulated, commercially, you understand?’ (   ) ‘A mentor, sir, is one who teaches you, guides you through life. Helps you with problems... that kind of thing.’ (   ) ‘Men who loves boys are very special. As are the boys who love them. It’s a most unique and special relationship. And very little understood by society.’ (   ) ‘When a boy has an sexual preference for men, he is at grave risk. The world will not understand him - many doors will be closed to him. It is the task of a dedicated mentor to bring the tiny bud to full flower. To help nourish the growth of the boy into manhood.’

Enzoverder. Echte creeps dus. Er zal er geen een zijn die eerlijk toegeeft dat hij onverantwoord zijn pik achterna loopt. Ongetwijfeld zijn de Jezuïeten van het Canisiuscollege in Berlijn ook alleen maar bezig geweest de kinderen verder op het levenspad te begeleiden. Door middel van ongewenste aanrakingen, aanrandingen, tot en met verkrachting. En de maatschappij wil ze maar niet begrijpen.

Op bezoek bij Matthijs Draait Door waren Jan Donkers en Roel Bentz van den Berg; de laatste is de stem bij de serie The Beagle. Fans van J.D. Salinger. Onderwerp: op het filmfestival van Cannes worden mogelijk vijf minuten opnamen van de grote doch verknipte meester vertoond. Maar daar het me niet om, het gaat me om een volgend voorbeeld van de verknipte uitspraak van de blonde halfgod. Ik ben al eens gevallen over zijn uitspraak van het woord olympisch. Dat wordt olumpisch bij hem. Nu kan je dat, als je een klassieke opleiding hebt ondergaan, misschien terugvoeren op de uitspraak van het oude Grieks, maar wij spreken hier Nederlands. Het is olimpies, net als gimnastiek en gimnasium, kwa uitspraak. Gisteren maakte de flamboyante presentator een wel heel domme fout. Hij sprak de voorletters van de schrijver uit als: Dsjie Die. Pardon? En de schrijfster van Harry Potter heet Dsjie Kie? Domme fout voor een geletterd man.

Na twee etappes in de Ster van Bessèges te hebben gewonnen werd de Sloveen Borut Bozic van het Nederlandse Vacansoleil gisteren in de sprint nipt verslagen door de Fransman Samuel Dumoulin van Cofidis. Kill-Shimano renner Tom Veelers werd derde in dezelfde tijd. Bozic blijft leider in het algemeen klassement. Een renner om het komende seizoen in de gaten te houden.

Het schijnt dat er de laatste tijd meer waardetransporten worden overvallen. En ook schijnt dat tamelijk dom te zijn. Naar verluidt ontploft er iets in de geldkoffers als je die als onbevoegde wilt openmaken, waardoor het geld met verf wordt besmeurd en waardeloos wordt. Naar verluidt. Zouden ze echt allemaal ontploffen? Als je het bijvoorbeeld voorzichtig met een slijptolletje doet, gaat het dan ook mis? Maar het hele punt is natuurlijk dat je de geblokte wagens van Brinks, en hoe die bedrijven ook mogen heten, al van een kilometer afstand herkent. Voor de onnozelen staat er ten overvloede WAARDETRANSPORT op. Monteer feestverlichting, zou ik zeggen, dan wordt het een stuk vrolijker in de straten.

Niet vergeten. Vanmiddag weer veldrijden, een koers in het kader van de Gazet van Antwerpen Troffee. In Lille, of Rijssel zoals anderen zeggen, en den Bels zendt het uit.

5 februari 2010

Je daast, je daast, dat is alles dat je kunt

Nee, nee, er was niet opnieuw een internetstoring in huize Bontebal. Wie gestoord was, was ik. Een zware aanval van geen zin. Daar ben ik dan heel rigoureus in: de pc gaat helemaal niet aan. Ook niet om nieuwsgierig mijn mailbox uit te spitten. Uiteraard heb ik wel door gelezen: ik kan altijd lezen. Je hebt mazzel als je van lezen houdt. Ik kwam een zin tegen die me op het hoofd deed krabben, in verband met mijn geleuter op mijn weblog: ‘Je daast, je daast, dat is alles dat je kunt.’ Het is de zin die Laverdure er steeds uitgooit, de papagaai van Turandot. Hoe de zin in het Frans luidt, weet ik niet; ik lees de vertaling van Jenny Tuin. Welk boek? Zazie dans le métro (1968) van Raymond Queneau.

Ik heb nog twee citaten voor je. ‘Het medelijden is tegengesteld aan de tonische aandoeningen, welke de energie van het levensgevoel vermeerderen: het werkt depressief. Je verliest kracht als je medelijden hebt. Het medelijden vergroot en vermenigvuldigt nog de krachtsvermindering welke het lijden op zich zelf reeds tot het leven berokkent. Het lijden wordt aanstekelijk door het medelijden; onder bepaalde omstandigheden kan hierdoor een totale vermindering aan leven een levensenergie bereikt worden die in een absurde verhouding staat tot de kwantiteit van de oorzaak.’ Het lijkt me duidelijk. Dan deze nog:

‘Wij zijn omgeschoold. Wij zijn in alle opzichten bescheidener geworden. Wij lijden de mens niet langer van de ‘geest’, van de ‘godheid’ af, we hebben hem gedegradeerd tot een der dieren. Wij achten hem het sterkste dier omdat hij het sluwste is: een gevolg daarvan is zijn geestelijke natuur. Anderzijds verzetten wij ons tegen een vorm van verwaandheid die ook hier weer stem zou willen krijgen: alsof de dierlijke ontwikkeling heimelijk gericht geweest is op één groot doel: de mens. Hij is beslist geen kroon op de schepping: bij hem vergeleken staan alle wezens op dezelfde trap van volmaaktheid... En door dit te beweren, beweren wij nog te veel: de mens is relatief genomen het slechtst geslaagde dier, het ziekelijkste, dat in de gevaarlijkste mate is vervreemd van zijn instincten - zij het, desalniettemin, ook het interessantste!’

Denk er maar even over na. Dan zal ik morgen verklappen uit welk boek deze twee citaten komen. Of misschien weet je het?

Een nagekomen lijstje van de twintig favoriete songs/ nummers van de dichter Erik Lindner. Dat is niet helemaal waar: Erik heeft zijn lijstje op tijd ingestuurd, ik heb het over het hoofd gezien. Erik is van oorsprong Hagenees, maar woont alweer een flink aantal jaren in Amsterdam. Ooit hebben we samen een pand gekraakt, ooit hebben we samen een resum optredens in het land gedaan. Uitwassen als: ‘s avonds optreden in café Den Egelantier in Tilborough, daar op zolder blijven slapen, de volgend ochtend met een Duvelkater in het aanpalende Ooisterwijk een aula middelbare scholieren toespreken. Ik had de kater, Erik is wat dat betreft bescheidener. Ziet hier zijn site. Hij schrijft:

'Aad, ooit woonde je boven me en hing het van de muziek af die ik ’s nachts opzette of je doorsliep. Daarna zijn er vele jaren geweest dat mijn boekenkast groeide en ik geen plaat meer aanraakte. Vakdeformatie? Pas sinds een paar maanden heb ik weer een pick-up. Zie hier mijn zwaar gedateerde lijstje:

Wire - Crazy about love
Het verhaal wil dat Wire de studio van John Peel inging zonder te weten wat te spelen, dat iedereen een ander instrument dan het geëigende uitkoos, en dat ook de tekst een improvisatie is - op basis van een kruiswoordpuzzel van de krant van die dag die in de studio lag.

Virgin Prunes - Moments and mine (despite straight lines)
Eerste single. Colin Newman van Wire die later ‘If I die I die’ produceerde noemde ze “very untogether”. Aanstekelijke chaos.

Tuxedomoon - KM/Seeding the clouds
En dat terwijl ik saxofoons dacht te haten! Nu het nummer dat ik het liefste draai van hun eerste LP ‘Half mute’, van voor ze naar Europa verhuisden.

Colin Newman - Alone
Mooie zin in verband met die titel: “Retained a sense of humour.” Colin is er trots op dat dit nummer gespeeld wordt in de film The Silence of the Lambs, juist als de camera bij de creep in de kelder naar binnen gaat. Het zal hem een welgegunde bom duiten opgeleverd hebben.

Nina Simone - Plain gold ring (live)
Trouwringen, pathetische dingen. Live gaat ze er helemaal over los. Geweldige stem.

Billy Holiday - Gloomy Sunday
Marc Almond zong het nummer. Frank Sinatra zong het. Diamanda Galas. Origineel is het Hongaarse ‘Szomoru Vaszárnap’. Maar de versie van Billy Holiday blijft het mooiste. Ze nam het op tijdens de Tweede Wereldoorlog. Staat op die fantastische 11e CD uit de collectie van haar verzameld oeuvre. Drie versies van hetzelfde nummer achter elkaar.

Bob Dylan - The lonesome death of Hattie Carroll
Dylan op z’n grimmigst: “That even the nobles get properly handled.”

The Clash - Guns of Brixton
Tuurlijk: The Clash daar moest je tegen zijn. Dertigers die tegen ons tieners en twintigers riepen dat wij stenen moesten gooien naar de politie. Demagogen. Salon-activisten. Zoiets als Mulisch die in een witte Mercedes langs het Leidseplein reed en even naar de provo’s zwaaide: “goed zo, jongens!” Dat waren The Clash voor de punk. Maar ze konden wel spelen. Mooie bassriff, prachtig intro.

Portishead - ‘Only you’ en ‘Undenied’
Omdat mijn liefje vroeger als ze klaar was als serveerster in De Leyaert er in haar eentje op haar studentenkot in Gent op ging dansen.

Trespassers W - ‘The garden’
Die hele lp ‘5, 4, 3, 2, 1, 0’ blijft overeind. Ik wacht op een net wat langzamere coverversie van ‘Department store’ die zo de hitparade in kan. Ook ‘The parc’ van de L.P. ‘Roots and locations’ blijft sterk.

Simon & Garfunkel - ‘Somewhere they can’t find me’
Realiseer me dat zelfs de eerste plaat die ik ooit kreeg over weglopen ging. Houdt het dan nooit op?

Public image - ‘Public image’
Johnny Rotten uit de klauwen van McClaren. Beter dan alles van de Sex Pistols - en minstens zo energiek.

Coil - ‘Ostia’
Beetje teveel gedraaid. Maar we moeten onszelf ergens in trouw blijven, nietwaar?

The Fall - ‘Carry bag man’
Als ik andere lp’s van hun opnieuw op CD had gekocht, was het mogelijk een ander nummer...

P.J. Harvey - ‘Shame’
Dacht dat ze zong “Chain chain chain - chain is the shadow of love”. Maar nee het is Shame. Shame shame shame.

Joy Division - Candidate
Ja sorry hoor, het moet nog een keer.

Mark Stewart - Hell is empty
Zo is dat.

Bauhaus - Crowds
B-kant van een singletje. Je krijgt er een hekel aan menigten van. En als je die toch al had, klinkt dat lekker.

Diane Cluck - I’m your here I am
Anti-folk noemen ze dat, klikt ende luistert. Krijg er kippevel van.

Jaap Fischer - Tem me dan
“Je bent een geestelijke sof / Je bent een brok moreel verlof / Je bent een halve nacht plezier / Je bent manchet zonder het bier”

En dan vergeet ik natuurlijk Radiohead (‘Karma police’ bijvoorbeeld van OK computer), de intens droevige zelfbewustzijn van hoe iedere kunstenaar slaaf is van zijn carrière volgens Janis Ian’s ‘Stars’, natuurlijk moet ook Des Duyvels Doedelsack erop met ‘Als de zon ondergaat’ van de cassette De Brug der Zuchten, ‘Gek bed’ van Frans Lelieveld en ‘Yoy’ van Saló Mentale van de sterke tape When I want Haks I call the Candyman - wie o wie heeft daar voor mij een kopietje van?'

Borut Bozic van Vacansoleil doet het goed in de 40ste Etoile de Bessèges, staat aan de leiding. Neem het maar voor kennisgeving aan.

2 februari 2010

La queue c'est toi

Vandaag is de eerste dag van de rest van je leven. Laat het niet de laatste zijn.

Oog om oog, tand om tand; een mooi principe. Dat ze niet denken dat ik het watje ben waarvoor ze me verslijten. Voor een binnenstaander leek het een alledaagse ochtend: ik schakelde het koffiezetapparaat in en schepte de bakjes van de katten vol. Net voordat ze wilde aanvallen slaakte ik enkele harde mauwen, beginnend diep in mijn keel. In enkele happen had ik de bakjes leeg. Je had ze moeten zien: ik heb nog nooit zes katten zo verbluft zien kijken. Zouden ze er iets van hebben geleerd?

Het leed dat file heet. Automofielen zijn zo hardleers! Vanochtend stond er 370 kilometer file, terwijl 200 normaal is voor een dinsdag. Afgelopen maandagochtendspits is met een totale lengte van 571 kilometer in de top-tien aller tijden beland! Reken maar dat er menig glas op is geheven. Jij niet? Heb jij er last van gehad, dan? Gniffel, schulden en bulten. Ik heb het al vaker gezegd: de file dat ben jij. La queue c’est toi. Die Reihen fest geschlossen. Jij en duizenden met jou vormen die rijen. Dan moet je niet klagen en vooral niet een ander de schuld geven. Files? Ik was mijn handen in onschuld. Ze kunnen me ook niet boeien, ze kunnen me de bout hachelen, maar ik heb toch wel een aardige suggestie om ze te verkorten. Misschien zelfs op te lossen. Gratis advies. Luister je even mee, Kamiel?

Het is simpel. Uiteraard hou je als werkgever de niet gewerkte uren van werknemers die te laat op het werk verschijnt op het loon in. Maar geef ze bovendien een navenante boete. Een fikse boete. Dat zal ze leren! Dit geldt uiteraard alleen voor werknemers die net zo goed het openbaar vervoer hadden kunnen nemen. Gezeur: maar de treinen rijden niet. Kijk, dat is nou een geldig excuus. Ga terug naar huis en bel je baas. Laat hem de kosten verhalen op de NS. Doe een dag iets voor jezelf. Geef de ruimte aan hen die voor hun brood dag in dag uit van hot naar her moeten.

Er zijn veel boeken die ik erg mooi vind, maar sommigen springen eruit. Zoals het debuut van A. Alberts, De Eilanden (1952). Op de plank staat een tweede druk, 1954, zónder stofomslag, maar ik heb er toch ooit vijfentwintig gulden voor betaald. Tegenwoordig zal deze uitgave zo’n €20,- moeten opbrengen. Niet dat ik daar verstand van heb. Niet dat ik hem ooit zal wegdoen. De Eilanden is een bundel met elf verhalen die allen spelen in warme streken. De eilanden zelf blijven anoniem. Wellicht Nederlands Indië, wellicht Madoera waar Alberts vanaf november 1939 tot maart 1942 bestuursambtenaar was.

Het openingsverhaal is getiteld Groen. Een ambtenaar arriveert per boot op een eiland waar hij wordt opgewacht door een collega, ene Peereboom. Die is gestationeerd op hetzelfde eiland, maar honderd kilometer verderop. De ‘ik’ heeft bier en jenever meegebracht. Die eerste avond zuipen ze stevig, de volgende dag vertrekt Peereboom weer naar zijn stek. Eens in de maand komt de boot, eens in de maand komt Peereboom langs. Verder ziet de ambtenaar alleen de dorpsbewoners, waar hij geen echt contact mee heeft, en vooral het woud, het groen. Een eenzaam bestaan. Na enkele maanden... dan begint mijn citaat:

                                  ‘Vanavond zit ik op mij bed met het hoofd in de han-
                                  den en even later loop ik het huis achter uit en tussen
                                  de stammen door naar de voorkant. Ik ben niet bang in
                                  de avond en de nacht, want de groene slangen boven mij
                                  zijn dan als dood. Ik ga achter een boom staan en kijk
                                  naar de lichtkring van de lamp. Een tafel en een stoel.
                                  Dan ga ik weer terug langs dezelfde weg. Het is een
                                  spelletje, dat ik iedere avond opnieuw speel. Ik ben aan
                                  het gek worden, denk ik. Morgen komt de boot.

                                  Een maand later.
                                  Ik heb gisteren en vandaag de hele dag gelopen en van-
                                  avond zal ik weer in mijn dorp zijn.
                                  De boot is er ook geweest, gisteren. Ik heb er niet aan
                                  gedacht, maar de boot is er ook geweest.
                                  Het is al donker, als ik bij mijn huis kom. De lamp
                                  brandt niet en het is erg stil. Ik heb er een beetje op
                                  gerekend, dat Peereboom er nog zou zijn, maar er is
                                  niemand. Het is eigenlijk stikdonker. Ja, het is stik-
                                  donker. Ik neem mijn zaklantaarn en vind de lamp en steek
                                  haar aan en ga er mee naar buiten. Als ik de lamp aan
                                  de standaard wil hangen, zie ik, dat het niet gaat, om-
                                  dat Peereboom aan de standaard hangt.

                                  Láááááát nu lief en zacht.
                                  Láááááát nu lief en zacht.
                                  Láááááát nu lief en zacht.

                                  Wingerdbloem, slingerbloem
                                  Wingerd in de slinger in de wingerd in de slinger in de
                                  wingerd in de slinger
                                  Wingerdbloem.
                                  In de bloem.

                                  Láááááát nu lief en zacht.

Prachtig!

Nog vijfentwintig nachtjes slapen. Natuurlijk valt er in de tussentijd ook genoeg te beleven, ik noem de Ster van Bessèges, die morgen begint en zaterdag eindigt, de Ronde van de Middellandse Zee, die volgende week dinsdag begint en op zaterdag eindigt, maar voor de diehards begint het nieuwe seizoen op de 27ste pas echt. Remco C. schreef ooit:

‘Zaterdag- en zondagmiddag heb ik in Vlaanderen doorgebracht, thuis voor de televisie. Het voorjaar is ingezet, de eerste klassiekers zijn verreden. De Omloop Het Volk! De naam alleen al. Gereden, nee, gecreëerd door de dwangarbeiders van de weg. In regen, natte sneeuw en gure wind nemen ze de kasseistroken. Plekken als de Oude Kwaremont, het Vossehol, de Schorpioen, Heiende, Krimineelstraat, Paddenstraat griffen zich voorgoed in het brein. Met een slepend achterwiel wordt de afzink naar Ronse volbracht. Bij sommigen is de jus uit de benen.’ Om te besluiten met: ‘Het jaar is begonnen.’ Zo is dat, ieder jaar weer.

Waar gehakt wordt vallen spaanders? Hoeft niet per se. Het kan ook een roedel boktorlarven in een extatische party zijn; die knagen, die hakken niet. Enfin, een mailtje van de dichter Erik Lindner: Hey Aad, lijstje vergeten? God zal je tieten geven! Shit. Inderdaad. Tussen wal en mailbox gevallen. Morgen komt zijn lijstje alsnog. Misschien wel zo aardig, zo’n heel allenig lijstje tussen dagen van citaten. Waarvoor je overigens nog steeds welkom bent in te sturen.

1 februari 2010

Mijn katten pissen voor minder

Het gebruikelijke ochtendritueel: in de keuken schakel ik eerst het koffiezetapparaat in, dan voeder ik de katten. Terwijl de koffie loopt, wil ik wat boterhammen klaarmaken. Laat ik er vandaag eens sardines in tomatensaus opdoen. Ik draai een blikje open. Man! Alsof ik met een voedselpakket op het stadsplein van Porte-au-Prince sta. (Dat is geen mooie vergelijking, Bontebal. Maar hij staat er nu eenmaal.) Het handigste is de mootjes sardine alvast in het blikje te prakken. Dat doe ik, maar als ik eindelijk enkele boterhammen heb klaargemaakt, ben ik inmiddels schor.

Het leed dat Matthijs van Nieuwkerk heet. Eind jaren tachtig werkte Van Nieuwkerk op de kunstredactie van Het Parool. In de zomer van 1987 komt hij op het onzalige idee Bob Polak te vragen stukjes voor de krant te gaan schrijven. Polak was berucht van de stukken die hij van ‘73 tot ‘75 voor het Amsterdamse studentenblad Propria Cures schreef. Dat was vóór Van Nieuwkerks tijd. In 1989 zei hij daarover: ‘Vol walging dan wel dijenkletsend zijn de hoogtepunten uit zijn oeuvre mij in de afgelopen jaren overgeleverd: een rolstoel, een begrafenis, veel lijken, een onderduikadresje, een aangever. Het is inmiddels of ik het allemaal zelf gelezen heb.’ Als voorzorgsmaatregel vraagt hij Polak de stukjes onder pseudoniem te schrijven ‘om bij voorbaat de duizenden vooroordelen tegen Bob Polak te kunnen omzeilen.’ Het wordt Felix de Vree* en zijn stukjes verschijnen van oktober 1987 tot oktober 1988. De ‘besten’ zijn verschenen in een dun bundeltje, ruim 100 bladzijden: Verzameld Werk (1989).

En zo kom ik op Remco Campert, want die wilde ik vandaag citeren. Ik ben van jongs af aan en onverminderd fan van Campert. We hebben elkaar in de loop der tijd leren kennen en staan op voet van ‘Hé Remco!’, ‘Hé Adriaan!’ De Vree over Remco Campert, naar aanleiding van zijn bundel Eetlezen (1987). ‘Campert is een schrijver die zijn beste jaren langzamerhand wel achter zich heeft liggen. De grote vitaliteit en geïnspireerdheid zijn eraf, we hebben te maken met een vroegtijdig verzurende schrijver die met een eindeloos lijkende reeks variaties op een ooit ontwikkeld maniertje aan de praat blijft. Type: oudere, allenige man in duffelse jas, zittend op stoel in kroeg, mummelend over het weer, de politiek, de situatie in de wereld in het algemeen en in de kroeg in het bijzonder.’

Van enige verzuring bij Campert heb ik nooit iets gemerkt en het is wat makkelijk en onterecht een eigen stijl een maniertje te noemen. De Vree, op dat moment 40, noemt hem een oude man. Sic! Remco was toen 58, dat word ik over vier maanden. Ik wil citeren uit de tijd dat Remco Campert al in de AOW zat. Uit Camu 1999, een verzameling stukjes die hij samen met Jan Mulder voor De Volkskrant heeft geschreven. Tussen haakjes. Wanneer komt De Krant eindelijk weer eens met een dagelijkse rubriek op de voorpagina, zoals in het verleden Hugo Brandt Cortius, Martin Bril en genoemde Camu? Ik mis het.

Wat ik met name mis zijn de stukjes over drs. Mallebroodje, het bekende Tweede-Kamerlid uit Elst, tevens uitvinder van een snavelpoetscrème voor ganzen; tevens uitvinder van een closetrol voor kleinvee; tevens uitvinder van een knikkerproductielijn op basis van konijnenkeutels; tevens ontwerper van een pincet voor stekelbaarsjes; tevens uitvinder van een haardroger voor in de Donkster Trekvaart gevallen poezen; tevens bedenker van een kraslot voor pluimvee; tevens ontwerper van een fopsnor vervaardigd van bunzingharen; tevens schepper van een strijdlied voor kippenboeren (‘De kip, de kip, wij gaan voor de kip/deze zang is thans op ieders lip.’) En het jonge ding uit de achterban. Maar vooral ook mis ik zijn vrolijke incestverhaaltjes. Over de familie Kneupma, over Mieke-Kee die regelmatig in de bedstee belandt met boer Kneup en veldwachter Bonkjes, die ook zo nu en dan zijn kans grijpt. Hoewel. In 1999 is dat inmiddels verleden tijd. Mieke-Kee heeft in de opvang gezeten en is flink assertief weer op het ouderlijk erf teruggekeerd. Volgt een stukje uit mei 1999 getiteld Dip:

‘Het was achter in de middag toen veldwachter Bonkjes zijn dienstfiets stalde tegen de muur van de afgelegen hoeve van de familie Kneupma. Op het erf stond dochter Mieke-Kee over de waterput gebogen. De veldwachter bedwong de neiging om haar in het voorbijgaan even te betasten, want sinds de jongste Kneupma-loot was teruggekeerd uit het Tehuis voor onheus behandelde meisjes was zij geen poesje meer om zonder handschoenen te aaien.
    “Ben jij het Bonkjes?” zei moeder Kneupma toen ze opendeed. “Er is toch niets ernstigs gebeurd?”
    “Nee moeder Kneupma, ik kom zomaar even buurten. Mmmm, wat ruik ik daar?”
    “Muizenbrij met haverballen en raapstelenstroop. Lepel je een kom mee?”
    “Daar zeg ik geen nee op. Maar waar is Kneup?” Nu betrok het gezicht van de struise boerin.
    “Vader zit in een dip.”
    “Een dip?” Bonkjes trok de wenkbrauwen niet-begrijpend op.
    “Dat heeft de dokter gezegd. Hij ligt al dagen op een stapel jutezakken in de schuur en wil er niet vandaan. Het komt allemaal omdat Mieke-Kee hem geen liefde meer wil geven. Hij kan zijn lentekriebels niet kwijt. Vroeger was het altijd dollen op de deel en in de bedstee. Dat mist hij. Trouwens, Bonkjes, daar heb jij ook weleens aan meegedaan.”
    “‘t Zou jokken zijn als ik dat ontkende, moeder Kneupma. Maar een pront vrouwmens als jij verkies ik toch altijd boven een pril scharminkeltje.”
    Warm-mannelijk drukte de veldwachter zich tegen het beschorte lichaam van moeder Kneupma aan, terwijl hij zijn kolenschoppen op haar brede bilpartij legde.
    “Handen thuis, Bonkjes. Of solliciteer je naar een stuk heropvoeding?” Dreigend stond Mieke-Kee in de deuropening, haar dunne gewaadje wapperend in de voorjaarstocht.’

Wie het was, is me ontschoten, maar volgens Michael Wuyts ging zij ‘plat op haar poep.’ Het wereldkampioenschap veldrijden voor de meisjes dus. Dat ik Daphny van den Brand had getipt als winnares was enerzijds wishful thinking, maar anderzijds ook niet zo vreemd. Ze is immers Nederlands kampioen geworden en heeft de wereldbeker veroverd. Maar het werd Marianne Vos. Er staat geen maat op die meid. Ze is pas tweeëntwintig, maar dit is al de derde keer dat zij de wereldtitel heeft veroverd. Met twee vingers in haar neus, oppermachtig. Daphny behaalde nog een mooie derde plaats, achter de veteraan, het kanon Kupfernagel.

Dat bij de mannen Zdenek Stybar inderdaad zou winnen, was buiten kijf. Het is gebruikelijk dat de favoriet uit het land waar het wereldkampioenschap wordt verreden inspraak heeft in het afzetten van het parcours. Dit parcours was hem op het lijf geschreven. Alleen als er iets zou misgaan... Meteen al in de eerste ronde reed hij lek. Maar het was gelukkig in de buurt van een materiaalpost, dus hij had de aansluiting alweer snel gevonden. Eenmaal op kop ging hij er als een speer vandoor. Uiteindelijk hield hij nog 21 seconden over op de tweede plaats, Klaas Vantorhout, en 38 seconden op de nummer drie, Sven Nys. Net als bij de beloften was de negende plek voor een Nederlander: Gerben de Knegt, die een sterke koers reed. Dan gaan we ons zo langzaam aan voorbereiden op de voorjaarsklassiekers. Mijn hart klopt reeds sneller. Laten we één ding afspreken: wij, liefhebbers, gediplomeerd stuurlieden aan wal, spreken over Omloop Het Volk!

Onwillekeurig moest ik tijdens het veldrijden aan C. Buddingh’ denken, en wel aan zijn Bazip Zeehok. Het vierde hoofdstuk uit De avonturen van Bazip Zeehok (1969) heb ik al eens geciteerd, de laatste keer was 9 april 2008. Edoch, nog maar een keer: ‘Vaak wordt hem gevraagd hoe hij aan zijn naam komt. Merkwaardig. Hoor je niet elke dag. Het antwoord is eenvoudig. Hij zegt altijd: “Omdat mijn vader ook Zeehok heette en mijn grootvader van vaderskant ook Bazip.” Dan knikken de mensen, tevredengesteld.’ De vader van Zdenek Stybar heet Zdenek Stybar en diens vader? Zdenek Stybar.

Nog twee weetjes. De Belse commentatoren waren het er over eens: met zijn titel vangt Stybar komend seizoen 6000 tot 8000 euri startgeld. Mijn katten pissen voor minder. En. Michael Wuyts zei tegen Renaat Schotte, die langs het parcours opereerde: je moet eens gaan praten met de zus van Stybar, Aneta, dat is een mooie meid, een model. Maar Google-afbeeldingen-Aneta Stybar geeft geen resultaat. Misschien is haar achternaam tegenwoordig meer mans.

* Hier had ik aanvankelijk en per ongeluk Freddy de Vree geschreven, zie de reacties.

31 januari 2010

Bursa rial dashe en cutba ck behea d oddit y pardo

Buurman M. stond voor de deur: of ik een biertje kwam drinken. Het is een man alleen, het was zaterdagavond. Dan wil ik de rotste niet zijn, dus ik hobbelde met hem mee. Door de sneeuw? Welnee, ik had het gisteren toch gezegd: de sneeuw heeft hier de avond niet gehaald, de straten zijn schoon. M. had de tv aan staan. Zo’n anderhalve meter flatscreen, dat is best veel voor een klein huisje. Hart van Nederland. In beeld een dertien in het dozijn zangertje met een dertien in het dozijn liedje. Hij heeft gewonnen, zei M. Wat heeft hij gewonnen, vroeg ik, maar een presentatiemutsje van het Hart was hem voor. Wesley, zo heette het zangertje, had Popstars gewonnen. Ik dacht dat het programma Idols heette. Ruim tweeënhalf miljoen mensen, vervolgde het andere mutsje, hebben de finale gezien. Tweeënhalf miljoen! En ik wist nergens van. Ik realiseer me ineens dat ik dit soort ontboezemingen niet te vaak moet doen. Voor je het weet komt er politie, maatschappelijk werk en een buurtregisseur aan de deur en word ik meegesleept naar een inburgeringscursus.

Dat is geen vreemde gedachte, want M. vertelde dat het hofje een paar dagen geleden is overvallen. Hij woont bij de ingang en hij zag een groep van tien in rode hesjes gehulde lui naar binnen komen. Toen hij vroeg wat dat te betekenen had, bleken het vertegenwoordigers van de politie, de sociale dienst, de belastingdienst en nog wat instanties te zijn. Nu ze hem toch spraken: mochten ze even bij hem binnen kijken? Hij had geen bezwaar. Ze zeiden zich vooral te focussen op illegale bewoning. Of M. soms van illegale bewoning in het hofje afwist. Nee, natuurlijk niet. Hij had ze dan wel binnen gelaten, maar hij is geen verrader. Uiteindelijk hebben zij hun werk in het hofje zo grondig gedaan, dat ik er niets van heb gemerkt. Misschien zijn ze wel aan de deur geweest, maar mijn bel doet het niet. Overigens had ik ze toch niet binnen gelaten. Niet dat ik iets te verbergen heb, maar daar hebben zij niets mee te maken.

Midas Dekkers vertelde laatst dat de mens het enige levende wezen is dat precies weet hoe je kinderen maakt en hoe je dat kunt voorkomen. En toch blijven ze ermee doorgaan. Onbegrijpelijk. Als er dan weer zo’n plaag geboren is hoor je soms: het is zo’n lieve baby, je hoort hem nauwelijks. Soms, want het is een uitzondering. Meestal houdt zo’n wezen je dag en nacht uit de slaap. Goh wat leuk. De buurvrouw heeft er een en de muren zijn hier flinterdun. Als de kleine weer aanslaat, ga ik maar iets zitten neuriën. En zo kom ik op Hermann Harry Schmitz en zijn bundel Katastrofale verhalen (Buch der Katastrophen, 1966, postuum). De verhalen zijn opgedeeld in verschillende categorieën. Wat volgt is het begin van het verhaal De Zuigeling uit de afdeling Over Mensen en Mensen. De vertaling is van Gerrit Komrij:

‘God, dat was me een mateloze opwinding en een ongelooflijke chaos bij de Beckers! Ze verwachtten hun eerste kindje. Wekenlang was het reeds met spanning verbeid; het had er al hoog en breed moeten zijn.
    Tante Tine uit Westfalen, tante Meta uit Düren, tante Hucklenbroich uit Gladbach, Barbara Töpfeli, een oneindig verre verwant uit Breisgau, Mutze Mandel, de peettante van mevrouw Becker, allen hadden ze het na het gerucht van de bij de Beckers te verwachten blijde gebeurtenis niet langer in hun eigen woonplaats uitgehouden, en één voor één waren zij bij de Beckers voor een logeervisite komen opdagen. Ze zeulden een omvangrijke bagage met zich mee die duidelijk voor langer dan één dag bedoeld was. Bovendien bracht elk van hen, met uitzondering van Mutze Mandel, een monumentale min van eigen bodem mee.
    Mijnheer Becker was over het algemeen een man met een zekere doortastendheid. Hij kon indrukwekkend worden, als de bakkersknecht te laat met zijn broodjes kwam of als de kolenboer zijn voeten niet had geveegd. Maar na elke tante, die bij hem binnenviel, werd zijn mannelijke moed zienderogen kleiner.’

Dat krijg je dan ook nog eens. Daarom ben ik nooit aan kinderen begonnen. Kraamvisites mijd ik. Ik kan het gehuichel niet opbrengen: goh, wat een mooie baby, want pasgeborenen zijn over het algemeen de afzichtelijkheid zelve. Maar dat kan je dan niet zeggen. Gelukkig zijn vrijwel al mijn goede vrienden kinderloos. Een mens kiest zijn relaties.

Op den Bels hoorde ik een verslaggever in verband met de zware sneeuwval zeggen: de wegen zijn nu berijdbaar, maar het is hout vasthouden. Die variant van afkloppen kende ik niet. Zou het een verspreking van de man zijn geweest? Dan is het wel een mooie. Ik ben maar eens gaan speuren. Van Dale kent het niet, noch bij hout noch bij vasthouden, maar Van Dale kent wel meer niet. Ik vond het in Vlaanderen, meer bepaald in het Hoofdstedelijk Gewest: bij het BOP, het Brussels OnderwijsPunt. Daar vertelde men mij: ‘Bomen waren vroeger voor bijna alle volken heilig. Ze konden mensen genezen. Ze namen kwade geesten op. Ze stuurden die recht de grond in. Hout aanraken was dus goed. Daarom kloppen mensen nog steeds op een houten tafel. Of ze zeggen “hout vasthouden” na een uitspraak.’ Zo leren we elke dag weer wat bij. Voor de kat zijn viool, want straks in je kist heb je er niets meer aan.

Bij Sarah denk ik niet meteen aan Palin. Darwin is de eerste naam die in me opkomt. Bij Palin denk ik niet meteen aan Sarah. Michael is de eerste naam die in me opkomt.

Szczepaniak. Dat is een naam, een Poolse achternaam. Tamelijk overdreven dat Szcz, je spreekt maar één van letters uit. Net zo overdreven als het Bontenbal van de rijdende tak van de familie. Spreek de naam maar eens uit. Hoor je een n voor bal? Nou dan. Bij het wereldkampioenschap voor de beloften ging de strijd tussen twee broers: Pawel en Kasper Szczepaniak. Michael Wuyts: twee broers, dat is onuitgegeven! Het was een mooie koers over een mooie parcours. Uiteindelijk moest Kasper, de jongste van de twee, de duimen leggen. Pawel een, Kasper twee en de beste Nederlander was Tijmen Eising met een negende plaats. Vorig jaar werd Tijmen nog wereldkampioen bij de junioren.

Het was gisteren rond het vriespunt in Tabor. Vandaag belooft het stevig te vriezen. De sporen van gisteren zullen worden ingebakken, zoals Wuyts opmerkte. Straks rijden de meisjes en de mannen en den Bels zendt het uit. Bij hoge uitzondering is het ook op Nederland te zien, maar daar moet je je niets van aantrekken.

In mijn mailbox vandaag het volgende bericht: ‘bursa rial dashe en cutba ck behea d oddit y pardo ners teddi ng malts laici satio ns tabul arize flint lock waysi de laici satio ns termi ning irref lexiv e shout olymp iad veins inter jecto ry paren thood sees vitil igo ozoni se cosmo logic al angel icise traff ics vitil igo growt h rada hassl es enhan ces penin sulat e varif orm olymp iad batta ilous leafs talks bombi nate teddi ng sphin cter diale ctics enhan ces reana lyse reorg anisi ng intri guer tabul arize trade smen techn ologi ze lyoph ilic subqu estio n penul tima nativ eness varif orm inche s domes ticit y flopp ed paris ology kingl et chemo taxis immig rated desce nding pyram id.’ Je ziet het, het gaat weer eens over Viagra.

30 januari 2010

Ik zou ze buxusbreinen willen noemen

Toen ik vanmorgen uit het raam keek schoot mij een naam door het hoofd: Autumn. Vreemd, want het ziet er duidelijk winters uit. Ja, zelfs hier bij ons, in het milde zeeklimaat, heeft het weer eens gesneeuwd. Wat er ligt, haalt het einde van de dag niet. Maar goed. Nu schieten mij wel vaker vreemde gedachten door het hoofd. Voor normale mensen is dat zorgelijk, maar er is goede medicatie voorhanden. In mijn geval is het wel handig, zelfs noodzakelijk: het levert steeds weer een log op. Enfin, Autumn. Het is een meisjesnaam. Dat is pas vreemd. Hoe werkt dat bij ouders? Dat ze een kind krijgen en denken: goh, de herfst is begonnen, laten we het wicht Herfst noemen? Je weet toch niet hoe ze er later uit gaat zien! Een van de bekendere Autumns is Autumn, zangeres uit Texas. Voluit: Autumn Boukadakis. Zeg nou zelf: ziet zij er herfstachtig uit? In welke tijd van het jaar zij is geboren, weet ik niet. Het jaar trouwens ook niet.

Voor vandaag heb ik je een citaat uit het werk van Italo Calvino beloofd. Toevallige keus? Nee hoor. Op vrijdag staat de rubriek Kunstenaars over Kunstenaars in De Krant. Daarin vertellen kunstenaars door welke kunstenaar ze worden geïnspireerd. Gisteren vertelde componist Richard Rijnvos over zijn fascinatie voor Italo Calvino, met name zijn roman Palomar (1983). Ik heb het boekje, ik weet het zeker, maar ik kan het niet vinden. Of Richard Rijnvos het heeft? Nou en of. Hij heeft de gewoonte steeds boekhandels binnen te stappen om te zien of ze het werkje op de plank hebben staan. Als dat zo is, koopt hij meteen àlle exemplaren. Voor de heb en om weg te geven. (Stuur mij er een op, Richard. Mocht ik onverhoeds mijn eigen exemplaar terugvinden, doe ik daar wel iemand een plezier mee.)

Rijnvos over Palomar: ‘Het begint heel eenvoudig. Mijnheer Palomar staat op het strand en kijkt naar de golven. Dan gaat hij filosoferen: is het eigenlijk mogelijk een golf te definiëren? Dat probeert hij, maar al doende bedenkt hij dat hij met iets weer geen rekening heeft gehouden, dus dat hij de golf opnieuw moet definiëren. Hij probeert een golf te isoleren, dat lukt niet. Het wordt steeds complexer, maar het blijft heel eenvoudig beschreven.’

En deze: ‘Neem nu het hoofdstukje Slangen en Schedels, waarin Palomar met een vriend in Mexico is, en wandelt door de ruïnes van Tula. De vriend is expert in pre-Colombiaanse beschavingen en leidt Palomar rond. Ze komen bij het standbeeld van ene chac-mool, en de vriend gaat heel academisch uitleggen wat die chac-mool allemaal betekent. Er volgt een heel verhaal van achtergronden betekenissen en symboliek. Dan komt er een schoolklas langs die ook wordt rondgeleid, door een leraar. Die leraar zegt - en Palomar vangt dat op - “nou, en dit is een standbeeld van chac-mool en we weten eigenlijk niet wat het betekent.” De klas loopt verder. Palomar is helemaal in de war. Hij gaat twijfelen, wat is nu de waarheid?’

Krijg je ook zo’n zin om het boekje te lezen als je dit leest? Klik hier trouwens voor een foto van betreffende chac-mool. Wist je dat Tula vooral bekend is vanwege de tempel van, uit mijn hoofd, Tlahuizcalpantecuhtli?

Geen citaat uit Palomar dus, maar uit De Onzichtbare Steden (Le città invisibili, 1972) in de vertaling van Henny Vlot. Het is een raamvertelling waarin Marco Polo, ten overstaan van de machtige keizer Kublai Kan, een beschrijving geeft van alle steden die hij op zijn reizen als gezant bezocht heeft. De steden zijn imaginair, en zouden allen zijn gebaseerd op Marco Polo’s eigen stad Venetië. De titel van het volgende stukje is De subtiele steden 5.

‘Als jullie me willen geloven, goed. Ik zal nu vertellen hoe Ottavia gebouwd is, de spinnenweb-stad. Er ligt een kloof tussen twee steile bergen: de stad hangt boven de leegte, vastgebonden aan de twee toppen met kabels en kettingen en loopbruggen. Je loop over houten dwarslatten en let erop dat je je voet er niet tussen steekt, of je grijpt je vast aan de mazen van het hennep-net. Eronder is honderden en honderden meters lang niets: een enkele wolk komt voorbij; meer in de diepte zie je de bodem van de kloof.
    Dit is de basis van de stad: een net van de ene kant van de kloof naar de andere dat tevens dient als ondersteuning. Al het andere staat daar niet op, maar hangt eronderaan: touwladders, hangmatten, huizen in de vorm van een zak, kapstokken, terrassen als scheepjes, waterzakken, gaspitten, braadspitten, manden aan kabels, goederenliften, douches, trapezes en ringen, kabelbanen, lampen, potten met hangplanten.
    Hangend boven de afgrond is het leven van de inwoners van Ottavia minder onzeker dan in andere steden. Ze weten dat het net maar een bepaald gewicht kan houden en niet meer.’

Ook zoiets: niet geschoten, altijd mis, ken je die uitdrukking? Net als de meeste uitdrukkingen gaat ook deze mank. Oké, niet zo mank als ik, maar toch een beetje. Een voorbeeld. Theo Maassen wees er in een show op, dat vrouwen ook zwanger kunnen raken van het voorvocht van de man. Voilà: (nog) niet geschoten, maar wel degelijk raak. Het levert een bepaald type mens op. Maassen noemt dat: voorvochtmensen. Het mag duidelijk zijn. Het maakt nogal een verschil of je, zoals jij en ik, bent verwekt uit een krachtige ejaculatie, waarbij miljoenen zaadcellen de strijd met elkaar zijn aangegaan, of dat je bent ontstaan uit één enkel zwabberend zaadje dat zonder concurrentie zijn slome gang heeft kunnen gaan. PVV-stemmers zijn duidelijke voorbeelden van voorvochtmensen. Zelf zou ik ze buxusbreinen willen noemen.

Niet vergeten. Dit weekend worden de wereldkampioenschappen veldrijden verreden in het Tsjechische Tabor. Vanmiddag de beloften. Bij de mannen wordt morgen Zdenek Stybar kampioen, bij de meisjes Daphny van den Brand (juffrouw Staartjes.)

PS Merk je dat ik iedere dag weer lol heb in het schrijven van een log. Ga zelf ook iets leuks doen. Vertel me erover.

29 januari 2010

All that David Copperfield kind of crap

Mijn reukvermogen is omgekeerd evenredig met mijn reukorgaan - dat klinkt aardig, maar het is slecht Nederlands. Toch ruik ik de narcissen als ik op de bank zit te lezen of te klootviolen met de katten. En dan komt de eerste hyacint ook bijna uit. Het is lente, pluk mij!

Zo begint het, in de vertaling uit 1967 van Max Schuchart. De opdracht luidt: Voor mijn moeder. ‘Als u het werkelijk allemaal wilt horen, zult u waarschijnlijk eerst willen weten waar ik geboren ben en wat een rotjeugd ik heb gehad, en wat mijn ouwelui deden voor ze mij kregen en al dat soort Merijntje Gijzen gedoe meer, maar ik heb geen zin erop in te gaan. In de eerste plaats zit het me tot hier en in de tweede plaats zouden m’n ouwelui allebei een dubbele rolberoerte krijgen als ik iets persoonlijks over ze vertelde. Ze zijn op dat punt bijzonder lichtgeraakt, vooral mijn vader. Ze zijn wel aardig en zo - daar niet van - maar ze zijn ook verdomd gauw op hun tenen getrapt. Bovendien ben ik niet van plan u mijn hele godvergeten autobiografie en zo te vertellen. Ik wil u alleen vertellen wat voor krankzinnigs mij vorig jaar omstreeks Kerstmis is overkomen, voor ik een stevige inzinking kreeg en hier naartoe moest om op m’n verhaal te komen. Ik bedoel, dat is het enige dat ik D.B. verteld heb, en hij is mijn broer en zo. Hij woont in Hollywood. Dat is niet zo erg ver van deze halfzachte inrichting vandaan en hij komt praktisch ieder weekend overwippen om me op te zoeken. Hij zal me met de auto naar huis brengen als ik volgende maand misschien weg mag. Hij heeft een Jaguar gekocht. Een van die Engelse karretjes die zo’n 320 kilometer per uur kunnen halen. Hij heeft er bijna vierduizend gulden voor neergeteld. Hij zit tegenwoordig goed in zijn slappe was. Maar vroeger was dat anders. Hij heeft een enorme bundel korte verhalen geschreven, De Geheime Goudvis, voor het geval u nooit van hem gehoord hebt. Het beste verhaal eruit was “De Geheime Goudvis”. Het ging over een jongetje dat niemand zijn goudvis wou laten zien omdat hij hem van zijn eigen geld had gekocht. Ik was er kapot van. Nu zit-ie in Hollywood, D.B., en laat zich prostitueren. Als er een ding is waar ik niet tegen kan is het de film. Ik wil er geen woord over horen.’ De Vanger in het Koren (The Catcher in the Rye, 1951) van J.D. Salinger.

Jerome David Salinger (Wiki Nederlands, Engels) is woensdag op 91-jarige leeftijd overleden in Cornish, New Hampshire, een dorpje waarnaar hij in 1953 vanuit New York was verhuisd. The Catcher in the Rye was zijn debuut en het is een boek dat je regelmatig zou moeten herlezen. Hij heeft nog enkele verhalenbundels gepubliceerd, maar daarna, in 1965, werd het stil rond hem. No sweat: hij heeft al die jaren royaal kunnen leven van zijn royalty’s. Gelukkig heeft zijn dochter Margaret nog in 2000 verklaard dat het huis in Cornish een door de auteur zorgvuldig geordende literaire nalatenschap bevat. We wachten in spanning op wat komen gaat. Hans Bouman sluit zijn in memoriam in De Krant vanmorgen af met: ‘Schrijvers van Salingers statuur sterven niet als ze ophouden met publiceren. En ook niet als ze dood gaan.’ Zo is dat.

Je helemaal afsluiten voor de mensen: dat zou niets voor mij zijn. (Grapje, voor de mensen die me kennen.)

Als ik al lezende een plaatsnaam tegenkom en ik ken de plaats niet, wil ik nog weleens in de atlas gaan zitten bladeren. Dat ik ook nog wat opsteek van al dat gelees. Bij Andrew Vachss leer ik over honden. In Flood schrijft hij: ‘And I thought of Mama Wong, and the dog with the dark colored spine - a Rhodesian Ridgeback, the kind they breed for tracking down runaway slaves. They can even climb trees. Not supposed to be good pets, but some folks are crazy about them.’ Ik had wel gehoord van honden die op slaven jagen, jaagden(?), maar dat het een speciaal ras is dat Rhodesian Ridgeback heet, wist ik niet. En god sprak: er zij Google. Zo zien die monsters eruit. Best wel mooi, eigenlijk. Voor zo ver ik heb kunnen nagaan bestaat er geen Nederlandse naam.

En Vachss, nou ja, zijn hoofdpersoon Burke, heeft smaak. Muziek op de bandjes in zijn auto: ‘I got some early Paul Butterfield, Delbert McClinton, Kinky Friedman (and if you think this guy’s just a quasi-cowboy clown, listen to “Ride ‘Em Jewboy” just once)... De muziek van Kinky Friedman ken ik niet, maar niet zo lang geleden heb ik nog een stuk of zes van zijn boeken herlezen. Dat moet je niet doen. Het is net als met het werk van Herman Brusselmans: af en toe eens één ter hand nemen, twee na elkaar is eigenlijk al te veel.

Heb jij dat nou ook? Man bijt Hond is iedere doordeweekse avond mijn favoriete uitbuikprogramma. Sinds enkele weken is er een vast item: Gewoon Anita. Een medium en dat slaat niet op haar omvang: tonnetje rond. In een van de eerste afleveringen zag je haar in de vroege ochtend. In kamerjas, nog niet ingesnoerd. Jezus, dacht ik, wat een vetrollen op haar heupen. Maar toen ik goed keek bleken het haar borsten te zijn. Sindsdien zap ik even als zij langskomt.

Mijn verzoek om citaten is niet aangeslagen: er komt niets binnen. Eén uitzondering. Marjon uit Arnhem heeft er drie gezonden. Vandaag haar derde. Een gedicht van Steven Herrick uit de bundel Aan de Rivier (By the River, 2004). Het heet Madeliefjes:

                                                  In 1962
                                                  was ik veertien,
                                                  en sleurde het rivierwater
                                                  ijskasten, fietsen,
                                                  oude autobanden en
                                                  Linda Mahony
                                                  stroomafwaarts
                                                  met zich mee.
                                                  Een bende jongens
                                                  zocht in de kreek
                                                  bij Freemans Bush
                                                  naar schatten,
                                                  of Linda.
                                                  Dagen later
                                                  vonden ze haar.
                                                  Twee jongens die
                                                  in Pearce Swamp
                                                  kreeftjes vingen.
                                                  Tussen spookachtige bellen
                                                  kwam Linda omhoog
                                                  vanonder een paar boomstammen.
                                                  Vol kreekwater,
                                                  kroos,
                                                  en dertien jaar herinneringen, dook haar lichaam
                                                  als een omlaag gehouden kurk
                                                  op uit het moeras,
                                                  en maakte de jongens zo bang
                                                  dat ze er nachtmerries van kregen.
                                                  Ze gingen er nooit meer vissen
                                                  op die plek
                                                  waar de wilgen treuren.
                                                  De familie Mahony
                                                  verhuisde naar het zuiden,
                                                  nadat ze een wit kruis
                                                  hadden geplant
                                                  en een veldje madeliefjes
                                                  dat ik soms,
                                                  als het te warm was
                                                  voor huiswerk,
                                                  ging wieden
                                                  zodat ons dorp
                                                  iets had
                                                  om zich te herinneren.

Mooi gedicht. Hoe het verder moet met de citaten? Joh, ik vind zelf steeds wel iets aardigs. Morgen misschien wel iets van Italo Calvino uit De Onzichtbare Steden. Die raamvertelling is onuitputtelijk.

Laatste reacties

februari 2010

ma di wo do vr za zo
1 2 3 4 5 6 7
8 9 10 11 12 13 14
15 16 17 18 19 20 21
22 23 24 25 26 27 28
Neem inhoud van deze site over (XML)